Waar komt de uitdrukking 'Ik ken mijn pappenheimers' (met de betekenis 'Ik weet wat voor vlees ik in de kuip heb'; 'Ik ken mijn mensen') vandaan?

Deze uitdrukking is volgens (onder andere) Nederlandse spreekwoorden en gezegden (1981) van F.A. Stoett ontleend aan een toneelstuk van Schiller (1759-1805), Wallensteins Tod (1800).

Dit toneelstuk is gebaseerd op het leven van baron Albrecht von Wallenstein (1583-1634), een Duits veldheer ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Wallenstein werd in 1632 bij twee belangrijke manoeuvres geholpen door een andere veldheer, graaf Gottfried Heinrich zu Pappenheim (1594-1632), die ruiteraanvoerder was van een regiment van kurassiers (cavaleristen). Deze 'Pappenheimers' waren gevreesde soldaten. De Pappenheimers hadden Wallenstein meegedeeld dat zij hem niet voor een landverrader hielden en hem trouw zouden blijven, hoewel andere regimenten hem afvielen (er was in het algemeen veel kritiek op Wallensteins wijze van oorlog voeren). In het toneelstuk roept Wallenstein als reactie op deze mededeling verheugd uit: "Daran erkenn' ich meine Pappenheimer!" (Wallensteins Tod, 3, 15).

Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek (2006) van Van Dale vermeldt de volgende voorbeeldzin: "Volgens de politie kunnen de in de wijk goed bekende, surveillerende agenten uit het gedrag van passanten wel opmaken of ze met dealers en/of verslaafden te maken hebben. 'We kennen onze pappenheimers inmiddels natuurlijk wel', aldus de politiewoordvoorder." Vaak heeft de uitdrukking geen echt negatieve lading, maar wordt ze vertederd of vergoelijkend gebruikt: "Ja, de kinderen zijn nu erg onrustig. Maar ik ken mijn pappenheimers: na een middag in de speeltuin heb je geen kind meer aan ze." Ten slotte kan de uitdrukking ook ironisch gebruikt worden: wie op de vraag 'Zouden de kinderen de afwas gedaan hebben?' het antwoord 'Nou ... ik ken mijn pappenheimers' krijgt, weet dat de kans groot is dat de afwas niet gedaan is.