Waar komt iets aan de wilgen hangen vandaan?

Wie iets aan de wilgen hangt, stopt ergens mee. Zo kunnen schaatsers hun schaatsen aan de wilgen hangen, chirurgen hun scalpel, koks hun pannen en schilders hun penseel. In al deze gevallen wil dat zeggen dat ze stoppen met hun beroep of hobby.

Deze uitdrukking gaat terug op de Bijbel. Psalm 137 begint als volgt:

“Aan de rivieren van Babel,
daar zaten wij treurend
en dachten aan Sion.
In de wilgen op de oever
hingen wij onze lieren.”

Deze psalm herinnert aan de ballingschap van de Israëlieten: zij waren zo droevig, dat ze stopten met muziek maken.

In de Hebreeuwse brontekst is het woord kinnor gebruikt, dat iets als ‘harp’ of ‘lier’ betekent. In de Statenvertaling (1637) is het woord ‘harp’ gebruikt (‘Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen’), maar de Statenvertalers merkten wel op dat het niet zeker is om wat voor instrumenten het precies ging: “Hoedanich eertijts de Musijck-instrumenten geweest zijn, is onseker.”

Tegenwoordig wordt de uitdrukking meestal gecombineerd met lier – óf met hele andere zaken (zie de voorbeelden bovenaan). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal schrijft daarover: “Zijn harp, thans zijn lier aan de wilgen hangen, ophouden met het beoefenen van de dichtkunst. Gebaseerd op Psalm 137 vers 2. Vervolgens ook met betrekking tot andere zaken die men opgeeft, waarvan men afstand doet.”