Wat betekent ‘Het was kantje boord’ en waar komt deze uitdrukking vandaan?

‘Het was kantje boord’ betekent dat iets nét goed ging. Je zegt het over iets wat nét lukte of goed kwam, terwijl het ook heel gemakkelijk fout had kunnen gaan. Kantje boord komt ook voor in zinnen als: ‘We halen de trein van halfnegen waarschijnlijk wel, maar het wordt kantje boord.’ Bedoeld is dan: we zullen de trein nét halen (op het nippertje).

Waarschijnlijk is kantje boord afgeleid van een oudere uitdrukking: ‘Het was op (of: bij) het kantje af (of: langs).’ Daarmee was ook al ‘op het nippertje, nét gelukt’ bedoeld. Kant betekent hier eigenlijk ‘rand’.

Op/bij het kantje af/langs is ontleend aan wat er gebeurt als iets na veel passen en meten ergens precies tussen past. Er is dus eigenlijk bedoeld: ‘als het ook maar een klein randje groter was geweest, had het niet gepast’. De uitdrukking werd volgens sommige spreekwoordenboeken ook toegepast op het slootjespringen. Als je op het kantje af de overkant haalde, haalde je het nét. Als de sloot ook maar iets breder was geweest (of de oever iets verder weg), had je misschien een nat pak opgelopen. 

De nieuwere variant kantje boord lijkt aan het begin van de twintigste eeuw in gebruik gekomen te zijn. Ook boord heeft hier de betekenis ‘rand, kant’. Er staat dus eigenlijk: ‘het was randje randje’. De verdubbeling benadrukt dat het maar nét goed ging: het kwam aan op het uiterste randje van de rand. De uitdrukking ‘Het was kantje boord’ staat sinds 1976 in de Dikke Van Dale.