Waar komt ergens geen sikkepit van geloven vandaan?

Als je ergens geen sikkepit van gelooft, geloof je er helemaal niets van. Geen sikkepit betekent in het algemeen 'helemaal niet(s)'; je kunt ook ergens geen sikkepit verstand van hebben, of ergens geen sikkepit zin in hebben

De herkomst van dit gebruik van sikkepit is onzeker. Volgens onder andere Van Dale (2005) en F.A. Stoett is het waarschijnlijk een samenstelling van sik in de betekenis 'geit' en pit in de betekenis 'keutel'. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands brengt hier echter tegen in dat het woord sik in de betekenis 'geit' daarvoor niet oud genoeg lijkt te zijn: het is voor het eerst aangetroffen in een bron uit 1773. Geen sikkepit komt echter zeker al sinds het begin van de achttiende eeuw voor. In het blijspel De gewaande weuwenaar met het bedroge kermis-kind (1709) staat “Geen fnazel [vezel, pluisje] of zikkepitjen zal er aan manqueeren.” Bovendien is pit in de betekenis 'keutel' zeldzaam en is deze betekenis pas in teksten uit de negentiende eeuw aangetroffen.

Wat was een sikkepit dan oorspronkelijk? Misschien gaat pit in sikkepit terug op pitje, een benaming voor een kleine munt van geringe waarde, die in Nederlands-Indië werd gebruikt. Dan zou pit teruggaan op het Javaanse pitjis, de aanduiding voor zo'n munt. De s in pitjis klonk in Nederlandse oren als een meervouds-s en werd daarom weggelaten; zo ontstond pitje. Om sik in sikkepit te verklaren is weleens gewezen op de sikka rupie, de naam van een oude Bengaalse munt die in grote delen van Bengalen en Noord-India in gebruik was. Wat dan wel vreemd is, is dat in sikkepit twee muntnamen voorkomen die in ver uit elkaar liggende landen werden gebruikt. Bovendien werd pitje in de betekenis 'munt' wel gebruikt in het Nederlands, maar is sik(ka) of iets dergelijks niet afzonderlijk in het Nederlands aangetroffen. Misschien is sikke- dus alleen voor de klank aan pit toegevoegd.