Waar komt de uitdrukking een haar van de hond vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Wie een haar van de hond nodig heeft, heeft een kater. Een haar van de hond is namelijk een borrel ter bestrijding van een kater: door opnieuw te drinken van de drank die je de kater heeft bezorgd, zou je je beter voelen. Overigens lijkt dit inderdaad even te helpen, maar deze remedie werkt uiteindelijk juist averechts: je voelt je nog slechter.

Een haar van de hond komt voor in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). De uitdrukking gaat volgens het WNT terug op het "volksgeloof, naar hetwelk men den beet van een dollen hond genezen kan door een haarvlok van den hond die den beet heeft toegebracht op de wonde te leggen". Het WNT citeert uit het boek Middelnederlandsche geneeskundige Recepten en Tractaten, Zegeningen en Tooverformules (1894), waarin het volgende recept voorkomt: "Omme te ghenesen een hondtsbete, neempt een ey [ei] ghestampt metter schale, ende daer inne thaer [het haar] vanden honde ghemingelt [gemengd] met Canarye suycker [kanariesuiker, suiker van de Canarische eilanden], ende met tsop [sap] van gherruwe [duizendblad], mitgaders met zalve van roosen [rozenzalf] (...)."

Later werd er het haar van de hond op leggen voor de grap gebruikt voor de borrel die de symptomen van een kater zou verlichten; het WNT vermeldt deze toepassing ook al.

Op internet is op diverse plaatsen te lezen dat een haar van de hond in de betekenis 'borrel om een kater te verdrijven' teruggaat op een gedicht van de Engelsman John Heywood uit 1546: "Ik bid u, geef mij en mijn vriend, een haar van de hond die ons gisteren beet."