Waar komt de pijp uit gaan vandaan?

De pijp uit gaan betekent 'doodgaan'.

Met pijp wordt hier waarschijnlijk oorspronkelijk een konijnenhol bedoeld. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vermeldt dat een konijn dat 'de pijp uit gaat' terwijl er jagers in de buurt zijn, er nooit meer terugkeert omdat het wordt afgeschoten, en dus sterft.

In het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) staat bij pijp de volgende betekenis: "Bij jagers. Als benaming voor de gangen die een dassen-, vossen- en konijnenhol vormen." Volgens het WNT betekent de zegswijze de pijp uit zijn: "weg zijn, ontsnapt, de gaten uit zijn. Ook: de pijp(en) uitgaan, weggaan, en: te voorschijn komen." De pijp uit gaan hoefde dus aanvankelijk niet te betekenen dat je doodging. Maar al in het WNT komen negatieve toepassingen van de uitdrukking voor: 'ontslagen worden', 'geruïneerd zijn', 'verloren zijn' en ook al 'doodgaan'.

In een artikel in de Wikipedia wordt een verband gelegd tussen de pijp uit gaan en de vangpijpen van een eendenkooi. De eenden worden steeds verder die vangpijpen in gelokt en vervolgens opgejaagd, waarna ze in een net aan het einde van de pijp terechtkomen. De pijp uit gaan betekende voor de eenden dus 'gevangen worden' en daarmee ook vaak 'geslacht worden, doodgaan'. In de (spreek)woordenboeken wordt er echter nergens gerept van een verband tussen de pijp uit gaan en de (vang)pijpen van een eendenkooi.

Er zijn nog twee uitdrukkingen met pijp die 'sterven' betekenen: zijn laatste pijp roken en de pijp aan Maarten geven.