Waar komt de uitdrukking de koninklijke weg gaan vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

De koninklijke weg gaan/bewandelen betekent ‘geen zijpaden inslaan, de gebruikelijkste weg nemen’. Het heeft de bijbetekenis ‘iets in alle openheid, op een eerlijke en efficiënte manier aanpakken, zelfs als dat strategisch gezien niet het handigst is’.

De koninklijke weg was vroeger de aanduiding voor een grote openbare weg. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) geeft als eerste betekenis bij koninklijke weg/baan “de groote, openbare weg, de rijksweg”. Het was meestal de kortste, gemakkelijkste weg die je kon volgen als je ergens naartoe moest. Daardoor kreeg de koninklijke weg eeuwen geleden al ook een figuurlijke betekenis. Het WNT vermeldt: “de openlijke, rechtschapen, ‘royale’ manier (van doen, van leven); in verzwakte betekenis ook: de gebruikelijke of de kortste manier. Vooral in de verbinding den koninklijken weg gaan, op openlijke, eerlijke -, op de gebruikelijke manier te werk gaan.”

De koninklijke weg gaan gaat terug op de Bijbel. In het vierde boek van het Oude Testament, Numeri, hoofdstuk 20, vraagt Mozes aan de koning van Edom of de Israëlieten door diens land mogen trekken: “Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers en wijngaarden trekken en wij zullen geen welwater drinken; de koninklijke weg zullen wij gaan, zonder naar rechts of naar links af te wijken, totdat wij uw gebied zullen zijn doorgetrokken.” Oftewel: we zullen niet afwijken van de hoofdweg en ons voorbeeldig gedragen.