Waar komt de zegswijze dat zit wel snor vandaan?

Dat zit wel snor is vaak een geruststellend antwoord op een vraag of alles goed zal gaan: 'dat komt goed', 'dat lukt zeker'. Het kan ook betekenen 'het is goed, het is in orde', bijvoorbeeld: 'Ben ik je nog benzinegeld schuldig?' – 'Welnee, dat zit wel snor.'

De herkomst van snor zitten is helaas niet bekend. De grote Van Dale vermeldt dat deze zegswijze misschien vergeleken moet worden met dat heeft ponum ('gezicht'), dat weer vergelijkbaar is met smoel hebben ('karakter hebben'). Misschien is snor als 'opvallend onderdeel van het gezicht' na verloop van tijd voor het gezicht als gehéél gaan staan. Daarmee blijft echter onduidelijk hoe dat zit wel snor zijn huidige betekenis heeft gekregen.

In de oudere naslagwerken komt snor zitten niet voor; Van Dale vermeldt dat zit (wel) snor voor het eerst in de achtste druk (1961) en noemt het "scholierentaal en volkstaal". De medewerkers van het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) troffen de oudste vermelding van dat zit wel snor aan in 1948 in de Gelderlander en vermoeden dat het oorspronkelijk soldatentaal is. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) komt al wel het zit goed als vaste verbinding voor. Wellicht is het bestaan hiervan van invloed geweest op het ontstaan van snor zitten.

Er wordt weleens gezegd dat het vogeltje de snor iets met dat zit wel snor te maken zou hebben. Om haar nest te beschermen maakt dit beestje een snorrend geluid. Maar hoe snor zitten vervolgens de betekenis 'in orde zijn, goed zitten' zou hebben gekregen, blijft duister.

Snor komt ook voor in zijn snor drukken ('ervandoor gaan' en 'ergens onderuit proberen te komen'). Marc De Coster vermeldt in zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans (2002) dat dit eigenlijk betekent 'een (opvallend) deel van het gezicht doen verdwijnen', en vandaar 'helemaal verdwijnen'. Varianten zijn zijn ponum drukken en zijn snavel drukken.