Wat is de herkomst van het woord blauwkous?

De grote Van Dale (2005) vermeldt bij blauwkous de omschrijving "spotnaam voor een vrouw die geleerd is of daarvoor wil doorgaan en een zekere minachting voor huishoudelijke zaken toont". Het woord is in 1872 voor het eerst gesignaleerd in het Nederlands; het is een letterlijke vertaling van het Engelse blue-stocking. De encyclopedie Encarta vermeldt: "De term is afkomstig uit Engeland, waar ca. 1750 door drie dames een club was opgericht waarvan de leden over literatuur praatten. Een van de (mannelijke) leden, Benjamin Stillingfleet, droeg op hun bijeenkomsten nooit zwartzijden, maar blauwe wollen kousen."

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt overigens ook dat in een toneelstuk van Kees Louwen uit 1667 een 'Juffrouw Blauwkous' voorkomt, maar dat is een andere blauwkous dan hierboven bedoeld is. Blauw werd vroeger vaker gebruikt in uitdrukkingen die iets bedrieglijks aanduidden; de Juffrouw Blauwkous in dit toneelstuk was waarschijnlijk een roddelaarster, vergelijkbaar met 'een zeurkous'.