Wat is juist: ‘De scheidsrechter gelastte / gelaste / lastte / laste de wedstrijd af’?

Juist is: ‘De scheidsrechter gelastte de wedstrijd af.’ Het hele werkwoord is afgelasten. Dat betekent: ‘beslissen dat iets niet doorgaat’.

Afgelasten bestaat uit af (dat hier het betekeniselement ‘ongedaan maken’ toevoegt, net zoals in afbestellen en afblazen) en gelasten (‘bevelen’). Het betekent dus eigenlijk ‘door een tegenbesluit afzeggen’, ‘de beslissing dat iets zou plaatsvinden ongedaan maken’. De stam (het hele werkwoord min de uitgang -en) van dit werkwoord eindigt op een t. In de verleden tijd komt daar -te achter. Dat levert een dubbele t op: ‘De scheidsrechter gelastte de wedstrijd af.’

De Dikke Van Dale (2015) vermeldt aflassen en aflasten wel als vormvarianten van afgelasten, maar geeft daarbij de waarschuwing “niet algemeen”. Van Dale Hedendaags Nederlands vermeldt deze vormvarianten ook, maar noemt ze “onjuist”. Aflassen en aflasten komen dus geregeld voor (anders zouden ze niet in de woordenboeken voorkomen), maar afgelasten geldt nog steeds als de beste vorm. Het woordenboek van Prisma vermeldt alleen afgelasten.

Andere voorbeelden met werkwoorden die vergelijkbaar zijn met afgelasten:

  • De rechter gelastte een onderzoek. (hele werkwoord: gelasten)
  • Hij vergastte ons op een feestmaaltijd. (hele werkwoord: vergasten)
  • Voorzichtig betastte hij de buil op zijn hoofd. (hele werkwoord: betasten)
  • De minister belastte de secretaris-generaal met de opdracht. (hele werkwoord: belasten)

De afgelaste wedstrijd

Als het voltooid deelwoord van dit soort werkwoorden als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt, komt er maar één t: de afgelaste wedstrijd, het gelaste onderzoek, de op een feestmaal vergaste familieleden, de betaste buil, de zwaarbelaste medewerker. Zie ook deze pagina.