door: Marc van Oostendorp

Dat taal in Nederland de laatste jaren steeds meer een politiek onderwerp is geworden, blijkt onder andere uit het concept-coalitieakkoord dat gisteren in Den Haag werd gepresenteerd. Hoewel dit niet eens het allerdikste regeerakkoord aller tijden is, was er niet eerder zoveel aandacht voor taal als in Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst.

Wat overigens nu ook weer niet wil zeggen dat er nu zulke concrete, duidelijke of verrassende dingen worden gezegd. Over laaggeletterdheid, een onderwerp dat de afgelopen jaren veel aandacht heeft gekregen, wordt bijvoorbeeld alleen het volgende medegedeeld:

Gemeenten krijgen meer mogelijkheden om laaggeletterdheid aan te pakken.

Ik heb in de budgettaire bijlage niet kunnen vinden dat die ‘meer mogelijkheden’ een grote financiële injectie van de Rijksoverheid voor de gemeenten inhouden. Je kunt je afvragen waarom de problemen rond laaggeletterdheid (deze week zette de bekende onderwijsdeskundige Helge Bonset overigens op het weblog Neerlandistiek vraagtekens bij de ernst van het probleem) specifiek door de gemeenten zou moeten worden aangepakt. Waarom geen landelijke campagne? Wordt de problematiek, door die bij de gemeenten te leggen, niet al snel vooral of uitsluitend ‘aangepakt’ bij mensen met een uitkering? En worden daarbij allerlei mensen die wel gebaat zouden zijn bij hogere leesvaardigheid maar niet per se werkloos zijn, dan niet overgeslagen?

Land van herkomst

Het is een standpunt dat ik herken uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Sowieso klinkt de stem van die partij vrij sterk in de passages over taal in dit coalitieakkoord. In ieder geval wordt uit het verkiezingsprogramma van die partij overgenomen dat kinderen met een achterstand zo goed mogelijk Nederlands moeten leren spreken (zelfs de obsessie die uit het VVD-programma bleek met het niveau ‘B1’ wordt in dit akkoord herhaald), behalve de kinderen van mensen die zijn uitgeprocedeerd:

Mensen die niet rechtmatig in Nederland mogen blijven, moeten terugkeren naar het land van herkomst. We zetten in op effectieve maatregelen die gericht zijn op of bijdragen aan terugkeer of vertrek van mensen die niet in Nederland mogen blijven. Dit doen wij door (…) het onderwijs in gezinslocaties in AZC’s in te richten op onderwijs in de taal van het land van herkomst

Dit lijkt me een vrijwel onuitvoerbaar voorstel. Hoe wil men dat precies organiseren, onderwijs in al die talen die er in al die landen van herkomst gesproken worden? Veel asielzoekers komen bovendien uit landen waarin heel veel talen gesproken worden. En: zou het niet ook voor kinderen die terugkeren juist beter kunnen zijn om goed onderwijs te krijgen in het Nederlands, in veel gevallen een taal die ze vloeiend beheersen? Kinderen pikken een taal nu eenmaal gemakkelijk op. Willen we niet dat die kinderen later ook nog warme gevoelens hebben over het land waar ze even hebben verbleven? Uit dit soort passages spreekt de gedachte dat het Nederlands iets is waar je alleen iets aan hebt als je in Nederland woont. Maar ook Nederland is er natuurlijk bij gebaat als zoveel mogelijk mensen over de hele wereld Nederlands spreken.

Brede universiteit

Wat er over een ander veelbesproken onderwerp wordt gezegd, nodigt evenmin uit tot groot enthousiasme. Het gaat zoals bekend niet goed met de opleidingen Nederlands. Het coalitieakkoord zegt er wel iets over, maar geeft het probleem vooral terug aan de universiteiten:

Universiteiten dienen voor kleine studies en voor Nederlandse taal en cultuur samen te werken en ook naar de toekomst een dekkend en passend aanbod te garanderen.

De term ‘samenwerken’ doet bij de ervaren beschouwer van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bovendien al snel het bange vermoeden rijzen dat hier weleens een bezuiniging kon dreigen. Als de minister vier mensen vraagt om samen te werken, hoef je niet verbaasd te zijn als er op zeker moment nog maar drie over zijn. Je zou overigens ook kunnen zeggen: geen brede universiteit in Nederland heeft een passend aanbod als er geen aandacht is voor de Nederlandse taal en cultuur.

Beschadigen

Even interessant als wat er wordt behandeld is natuurlijk wat juist niet wordt besproken. Opvallend is bijvoorbeeld dat er alleen in de marge sprake is van ‘curriculumherziening’. Je kunt je afvragen of dit kabinet daar eigenlijk nog veel aan gelegen is; misschien beschouwt men het als een reeds ingezet traject, maar dan nog wordt er in dit akkoord heel weinig inhoudelijke ambitie getoond over (bijvoorbeeld) het schoolvak Nederlands.

Het is vrij verwonderlijk dat de VVD-stem zo sterk klinkt in dit akkoord, want twee andere van de vier deelnemende partijen, de ChristenUnie en D66, besteedden in hun verkiezingsprogramma’s juist veel meer aandacht aan taalonderwerpen. Misschien hebben deze partijen op ‘grotere’ onderwerpen meer hun zin gekregen, zoals de financiering van het hele hoger onderwijs. Maar zelfs de opname van het Nederlands (en het Fries) in de grondwet – waar zowel ChristenUnie en CDA in hun verkiezingsprogramma voor was – is niet tot het coalitieakkoord doorgedrongen.

Alleen in de preambule klinkt een geluid waarvan ik vermoed dat het eerder van bijvoorbeeld de ChristenUnie komt. Maar dat is meteen ook een nogal krachteloos geluid:

Wij keren ons af van retoriek die is gericht op het beschadigen van personen en zullen ons uitspreken tegen kwetsend en dreigend taalgebruik.

Wie kan er vóór het beschadigen van personen en/of kwetsend of dreigend taalgebruik zijn? Maar tegelijkertijd: hoezo ‘keert’ men zich nu van deze retoriek af? Was de vorige regering dan juist gericht op het beschadigen van personen door middel van taal? (Lezen we hier wellicht een verwijzing naar ‘Functie elders’?) En wat moeten we ons voorstellen bij een regering die zich ‘uitspreekt tegen’ dergelijk taalgebruik? In het menselijk verkeer lijkt me dat de juiste manier van optreden; maar wat betekent het als de ‘wij’ van dat regeerakkoord zich daarin mengen? Het lijkt, met andere woorden, een beetje een praatje voor de vaak.

En misschien is dat kenmerkend voor hoe er in de politiek nu met taal wordt omgegaan: er is geen enkele garantie dat willekeurig welke andere coalitie het beter zou hebben gedaan. Taal is vooral iets dat je moet noemen, niet iets waar je verder serieus over na moet denken.


Deze bijdrage van Marc van Oostendorp is overgenomen van Neerlandistiek.nl.