Sylvia Witteman schrijft iedere maand over de taal om zich heen - hier haar column uit het meinummer van Onze Taal.

De tijd hebben

“Hoe laat heb jij het?”, vroeg ik. Ik stond in het washok; mijn zoon kwam juist zijn kamer uit. Daar was zijn vertrouwde hoongelach weer. “Hoe-laat-heb-jij-het? Wat is dat voor een vraag?”, smaalde hij. Verbaasd keek ik hem aan, mijn armen vol met zíȷn schone T-shirts, onder- broeken en sokken (maat 48).

“Hoe laat ís het!”, riep hij. “Niemand hééft het laat. Een tijdstip is toch niet relatief?” Ik had die snotneus nooit naar het gymnasium moeten sturen, maar ik begreep opeens wel wat hij bedoelde. Hij heeft ze niet meegemaakt, die tijden dat iedereen een verschillende tijd had. Onzekere tijden. Mooie tijden.

Mijn eerste horloge kreeg ik toen ik acht werd. Ik had toen al jaren horloges op mijn pols getekend; af en toe veegde ik met een vochtig gelikte wijsvinger de wijzers uit en tekende nieuwe, nadat ik aan een fortuinlijker klasgenootje had gevraagd hoe laat hij/zij het had op zijn/haar échte horloge. Mijn fictieve horloge liep dus altijd achter, maar dat deden de werkelijke horloges ook. Of ze liepen vóór. Er bestond nog geen ware tijd.

Daadkrachtige mensen, meestal mannen, zetten hun horloge af en toe gelijk met het nieuws op de radio. Soldaten, spionnen, bemanningen van duikboten zetten hun horloges gelijk met elkáár, vlak voor een levensgevaarlijke missie. Als je net een tijdbom onder het hoofdkwartier van een vijandige mogendheid had gelegd, wilde je wel synchroon met je makkers de aftocht blazen.

Toen ik zelf eenmaal een echt horloge kreeg, moest dat natuurlijk wel zo gelijk mogelijk lopen. Daartoe belde ik elke dag 002, waar een koele vrouwenstem dan sprak: “Bij de volgende toon is het 9 uur, 11 minuten en 50 seconden.” Het gerucht ging dat die mevrouw synchroon liep met de mythische ‘atoomklok in Braunschweig’. Dat bleek later niet waar te zijn: ze liep permanent twintig volle seconden achter! Er zijn staatsgrepen in minder tijd gepleegd.

Als je je horloge vergat op te winden, stond het algauw stil. Op school viel er geen 002 te bellen, dus dan vroeg je aan een klasgenootje met het betrouwbaarste horloge: “Hoe laat heb jij het?”, zodat je je eigen klokje daarmee gelijk kon zetten.

“Snap je het nu?”, vroeg ik aan mijn zoon, die nog nooit een horloge heeft bezeten. “Nou, hoe laat heb je het?”

“Ik heb het niet laat”, antwoordde hij. “Ik heb het ook niet vroeg. Ik heb niks. Mijn telefoon is leeg.”


Steun Onze Taal

Deze column uit het meinummer van Onze Taal bieden we u gratis aan.

Lidmaatschap
Is taal ook voor u belangrijk? Overweeg dan lid te worden van Onze Taal. Daarmee ontvangt u niet alleen tienmaal per jaar ons tijdschrift, maar u helpt ons ook om plezier in en informatie over taal verder te verspreiden.