Deze week verscheen Straatpraat van Jiska Duurkoop. In haar boek bespreekt ze onder meer hoe straattaal - de taal van jongeren in stedelijke gebieden - Nederland zowel verenigt als verdeelt. Hieronder het hoofdstuk over de vraag of het Nederlands te vrezen heeft van straattaal.

 

Nederlands, vanzelfsprekend

Hoe staat het er eigenlijk voor met het Nederlands zelf? Heeft onze dominante nationale taal echt te vrezen van straattaal zoals vaak in verhitte discussies is en wordt beweerd? Als je voorspellende uitspraken wil doen over het voortbestaan van straattaal, is het raadzaam om houdingen en taalkeuzes ten aanzien van het Standaardnederlands te onderzoeken.

Taal gaat ons aan het hart en juist vanwege die emotionele geladenheid is het verstandig om een feitencheck te doen. Daarom werd recentelijk een grootschalig en meerjarig onderzoek genaamd ‘Staat van het Nederlands’ (StaatNed) geïnitieerd. Verschillende onderzoekers namen hiervoor onze taalkeuzes en ‑attitudes onder de loep en brachten die in kaart om zo onze positie tegenover onze landstaal te verklaren.

StaatNed tracht cijfermatig en objectief te bepalen hoe het Nederlands ervoor staat, hoe, waar en wanneer het wordt gebruikt en hoe erover wordt gedacht. Met andere woorden: de wetenschap draagt haar steentje bij aan het ontsluieren van het huidige taalklimaat en dat van de toekomst. De eerste bevindingen liegen er niet om, maar zullen de pessimist wellicht verrassen: het Nederlands is niet ten dode opgeschreven. Integendeel. Te midden van alle etnisch-culturele diversiteit en globalisering blijkt onze nationale taal springlevend! Om te bepalen of een taal met uitsterven wordt bedreigd heeft Unesco een aantal taaloverlevingscriteria opgesteld:

1 de mate waarin een taal X van generatie op generatie wordt doorgegeven
2 het absolute aantal sprekers van taal X
3 het relatieve aantal sprekers van taal X in verhouding tot de totale groep waarmee de sprekers zich identificeren
4 de positie die taal X inneemt in traditionele maatschappelijke domeinen, bijvoorbeeld in het onderwijs
5 de mate waarin taal X gebruikt wordt in nieuwe maatschappelijke domeinen, bijvoorbeeld in social media
6 de mate waarin taal X wetenschappelijk beschreven is in materiaal voor het onderwijs (bijvoorbeeld spellingsgidsen, woordenboeken, grammatica’s, et cetera) én de mate waarin er literatuur geschreven wordt in taal X. Met andere woorden: de mate waarin het mogelijk is om taal X aan te leren enerzijds en om te lezen in taal X anderzijds
7 de mate waarin taal X institutioneel en beleidsmatig ondersteund wordt, bijvoorbeeld of taal X de status van officiële taal heeft
8 de attitudes van de sprekers van taal X ten opzichte van hun taal
9 het soort materiaal en de kwaliteit van het materiaal waarmee taal X kan worden gedocumenteerd (bijvoorbeeld naast teksten in de bewuste taal in de vorm van grammatica’s, woordenboeken, et cetera, zijn er ook audio‑ en video-opnames van de gesproken variant van die taal)

Op basis van deze criteria probeert Unesco de vitaliteit van een taal te bepalen. Vitaliteit heeft betrekking op de mate van (functioneel) gebruik in de maatschappelijke domeinen van het dagelijks bestaan: naaste omgeving, werk, cultuur, media, onderwijs en wetenschap.

Als de Nederlandse bevolking en masse kiest voor een andere gemeenschappelijke standaard dan drukt dat de vitaliteit. Veel domeinverlies brengt taalverschuiving met zich mee: we vervangen de oorspronkelijke gemeenschappelijke standaard door een andere. Op het moment van schrijven woedt bijvoorbeeld de discussie over Engels als voertaal in het hoger onderwijs. Daar lijkt het Nederlands onder het mom van ‘internationalisering’ steeds meer terrein te verliezen. Een ontwikkeling die niet alleen de minnaars van de Nederlandse taal rauw op het dak valt. ‘Kamer wil helderheid over verengelsing’ kopte Science Guide in het begin van 2018. Veel opleiders zijn al overgestapt, terwijl er veel zorgen bestaan over impact op de onderwijskwaliteit en kansengelijkheid voor de studenten.

Ook buiten de onderwijssector zorgt de lingua franca voor opschudding. ‘Gek van Engels in onze horeca?’ las ik recentelijk nog in een dagblad. Engelssprekende bediening in een Nederlands restaurant: we begrijpen het wel, maar hebben er weinig begrip voor. Staan we dan aan de vooravond van een omwenteling? Heeft de toekomst functie-uitbreiding van het Engels of een andere niet-standaardtalige variant in de openbare sfeer in petto?

Nee, volgens Unesco is vooral het maatschappelijke domein van de naaste omgeving cruciaal voor overleving, denk aan taalgebruik onder familie, vrienden, buren, en dergelijke. Binnen deze kringen gebruiken nagenoeg alle achtduizend onderzochten in vrijwel alle situaties Nederlands. We hoeven ons pas zorgen te gaan maken dat het Nederlands verdwijnt als ook kinderen de eenheidstaal niet meer hanteren. Dat is voor te stellen als een fatalistische cyclus van minder gebruiken, minder overdragen, nog minder gebruiken, et cetera. Met als eindstadium: het uitsterven van de taal. Dat lot blijft het Nederlands voorlopig bespaard. Het Nederlands scoort namelijk juist sterk op Unesco’s vitaliteitscriteria. We zijn trots om het Standaardnederlands in het dagelijks leven te gebruiken en doen dat dan ook volop.

Ook jongeren. Ja, zij gebruiken taal wellicht anders. Desalniettemin vinden zij, correct, Standaardnederlands belangrijk om te kunnen functioneren. En is het niet zo dat de jeugd de toekomst heeft? Hoe zit dat dan met al die leenwoorden? hoor ik de sceptische lezer nu denken. Die Angelsaksische woordspielerei moet toch ergens ten koste van gaan? Volgens het onderzoek StaatNed, dat dergelijke buitenlandse invloeden op woordniveau niet meeweegt, is dat verwaarloosbaar.

Waarom? De taalbeïnvloeding op lexicaal vlak is universeel en manifesteert zich in alle talen. Niet alleen het Nederlands. Nog niet overtuigd? De onderzoekers van StaatNed stellen aanvullend dat de woordenschat uiteraard verrijkt wordt met de geleende buitenlandse elementen, maar dat dit de structuur niet aantast. We blijven grammaticaal correcte Nederlandse zinnen formuleren. Met of zonder leenwoorden!

Laten we dit denkspoor eens volgen als het gaat om straattaal. De informanten in dit boek stelden immers: straattaal is vooral het spreken met andere woorden. Leenwoorden en zelfbedachte uitdrukkingen. StaatNed zegt hierover: ‘Het gebruik van vreemde woorden in het Nederlands valt onder het kleinschalige niveau van de woordkeuze en richt geen wezenlijke schade aan in een taalsysteem.’ Wel beïnvloeding, geen bedreiging. We zullen dus niet direct teruggeworpen worden naar de donkere dagen van taalverscheidenheid (zonder gemene deler) zoals vóór de vijftiende eeuw.

Samengevat: we zijn tegenwoordig blij met het Nederlands en gebruiken de genormeerde voertaal collectief en frequent in het dagelijks bestaan. Ter verbinding, om te kunnen functioneren. Straattaal, een groepsspecifieke, pragmatische en situatiegebonden variëteit, is oorspronkelijk juist niet bedoeld als een gemeenschappelijke standaard. Deze taal wordt informeel gebruikt, als een (gesproken) codetaal voor ingewijden, die af‑ en onderscheidt. Je zou hoogstens kunnen stellen dat we te maken hebben met informalisering van ons taalgebruik in bepaalde maatschappelijke domeinen. Wanhoop dus niet. De toekomst heeft vooralsnog geen nieuwe standaard op basis van straattaal in petto. Eerder een vreedzame coëxistentie tussen de standaard en de straat. Wel evolutie, geen revolutie.