Het 2/3-nummer van Onze Taal is een themanummer over 'de taal van kleding'. En daarom zochten we 26 modetermen 'met een verhaal' voor u bij elkaar, van anorak tot zuidwester. Niet in het tijdschrift, alleen hier te lezen. 

Anorak – een ‘wind- en waterdichte jas met capuchon zonder voorsluiting’, gebaseerd op het vergelijkbare kledingstuk van dierenhuid dat door eskimo’s gedragen wordt. Het woord is via het Engels ontleend aan het Groenlands. Momenteel zeer hip.

Babydoll – luchtige nachtkleding bestaande uit een kort nachthemd en een pofbroekje. De eerste babydolls werden al tijdens de Tweede Wereldoorlog gemaakt in de Verenigde Staten, toen de kledingindustrie aldaar te maken had met een tekort aan (grond)stoffen. De naam babydoll werd gepopulariseerd door de film Baby Doll (uit 1956), waarin de titelrolactrice Carroll Baker nogal eens rondloopt in zo’n pyjamaatje.

Colbert – gekleed halflang jasje, de definitie in het woordenboek luidt “jas zonder panden”. Ontstaan in de negentiende eeuw, maar genoemd naar de Franse staatsman Jean-Baptiste Colbert (1619-1683). Niemand weet waarom.

Drollenvanger – spottende bijnaam voor een plusfour, een ‘ruimzittende broek die een eind onder de knie om het been sluit’ – zoals stripfiguur Kuifje die wel draagt. Omdat de pijpen van de broek van onderen zijn afgesloten, vangt hij eventuele drollen op. Plusfour klinkt Frans, maar is Engels, en komt van plus four, omdat hij ‘four inches longer’ is dan een kniepantalon. Tegenwoordig een zeldzaamheid.

Espadrille – touwschoen. Meestal lage schoen met linnen bovendeel en zool gemaakt van (oorspronkelijk) esparto-touw. Esparto is een soort gras. Het woord komt uit het Occitaans.

Fedora – deukhoed. De naam is ontleend aan het toneelstuk Fédora van Victorien Sardou (1831-1908), waarin de vermaarde actrice Sarah Bernhardt de hoofdrol van de Russische prinses Fedora speelde. Bernhardt, die zich graag af en toe in mannenkleding hulde, droeg in dit stuk een deukhoed, die vervolgens populair werd onder vrouwenrechtenactivistes, onder de naam fedora. Bekende (latere) fedora-dragers zijn Humphrey Bogart, Michael Jackson en Indiana Jones.

Geitenwollen sokken – sokken die gemaakt zijn van geitenwol, op Wikipedia “de moeder aller sokken” genoemd. In de jaren zestig en zeventig gedragen door hippies (het liefst in sandalen). Het voorvoegsel geitenwollensokken- wordt sinds die tijd wel gebruikt om er bepaalde linkse, wat softe mannen mee aan te duiden, bijvoorbeeld geitenwollensokkentype. Zo iemand kon je ook kortweg ‘geitenwollen sok’ noemen. Zie het personage Emiel uit de in de jaren tachtig zeer populaire Familie Doorzon-strip van Stevenhagen en De Jager, die zelfs zo’n sok als stropdas droeg.

Hansop – kindernachtpakje, “zynde een kleed, waarvan het wambuis, de broek en de koussen aan elkanderen vast zyn” – aldus een definitie uit 1765. Genoemd naar een populair 17e-eeuws sullig toneeltypetje – Hans Sop – die vaak in pyjama-achtige kleding rondliep. De naam voor de toneelfiguur komt oorspronkelijk uit Duitsland: Hans Supp – wat weer een leenvertaling is van het Franse Jean Potage.

IJsmuts – warme, gebreide wintermuts, die vroeger vooral door schaatsenrijders wordt gedragen. Dit jaar is vooral de grofgebreide variant met een grote pompon erop in de mode.

Jopper – ‘schippersjas; halflange waterdichte duffelse jas’. De naam doet erg Nederlands aan, maar komt oorspronkelijk uit het Arabisch (van jubba (‘lang wollen kledingstuk’)).

Keurslijf – corset. Werd strak dichtgeregen met veters, vandaar ook wel de benaming rijglijf, en diende om het figuur te modelleren. Keurslijf wordt ook figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘belemmerende bepaling of maatregel’.

Little black dress (LBD) – “mag in geen enkele garderobe ontbreken”, zo heet het. Zwart cocktailjurkje, in 1926 populair gemaakt door mode-ontwerpster Coco Chanel.

Monokini – halve bikini, enkel een zwembroekje. De bikini is genoemd naar het atol Bikini in de Grote Oceaan, waar vlak voor de presentatie van de voor die tijd opzienbarende zwemkledij, in 1946, proeven met een atoombom waren gedaan. Het woorddeel bi suggereert de betekenis ‘twee’, maar dat is dus feitelijk toeval. Maar toen het mode werd om zonder bovenstukje te baden en zonnebaden, lag de naam monokini voor de hand. De nokini bestaat overigens ook ...

Nylon – dameskous gemaakt van polyhexamethyleenadipamide, oftewel nylon. Er wordt wel beweerd dat het woord nylon is samengesteld uit de verkortingen NY (‘New York’) en Lon (‘London’), maar dat klopt niet. De naam is door fabrikant DuPont verzonnen nadat no run, nuron, nulon en nilon waren afgevallen.

Onesie – ‘jumpsuit, makkelijk zittend huispak uit één stuk’. Van Winston Churchill wordt gezegd dat hij al onesies droeg: die kon hij over zijn pyjama aanschieten als er bijvoorbeeld een luchtalarm was. Onesie is in het Nederlands een vrij nieuw woord, bekendgemaakt door ‘stijlicoon’ Roy Donders, maar het ding zelf kennen we al langer: een onesie is eigenlijk een hansop 2.0. Zie aldaar.

Pandjesjas – colbert met panden (ook ‘slippen’ genoemd), oftewel een jacquet. Jacquet komt van de naam Jacques, die in de Middeleeuwen ook een aanduiding was voor een lakei. Een lakeienjas dus, oorspronkelijk.

Queenie – damesschoen met puntneus, slanke leest en lage naaldhak. Staat hier ook omdat we zo snel geen andere kledingstukken konden vinden die met een q beginnen.

Reetveter – ironische aanduiding voor onder- of bikinibroekje dat aan de achterkant uit niet veel meer dan een veter bestaat, zoals de string en de tanga.

Sjamberloek – soort ochtendjas. Het woordenboek zegt “kamerjapon voor heren, wijde huisjas met ceintuur”. De herkomst van het woord was lange tijd een raadsel, maar het bleek uiteindelijk terug te voeren op het Turkse yağmurluk, dat ‘regenjas’ betekent.
Het woord is uit het Nederlands vrijwel verdwenen, maar het Fries kent het nog steeds. Sjammeloek was zelfs genomineerd voor de Friese woord-van-het-jaarverkiezing van 2015.

Trenchcoat – “gabardine regenjas met patten op de schouders en met een ceintuur”. Het Engelse trench betekent ‘loopgraaf’, en de eerste vermelding van trenchcoat stamt dan ook uit 1916, in de betekenis ‘regenjas die door Britse officieren in de loopgraven werd gedragen’.

Unisexkleding – kleding die voor vrouwen en mannen gelijk is, vooral populair in de jaren zestig en zeventig. De bedoeling was/is de gelijkheid der sexen te benadrukken.

Vadermoordenaar – boord met hoog uitstekende punten zoals die in de mode was in de eerste helft van de negentiende eeuw. De etymologie is wat ingewikkeld. De hoge boorden kwamen tijdens de maaltijd nogal makkelijk in contact met het voedsel, en werden in Frankrijk daarom schertsend ‘parasites’ (‘parasiet, mee-eter’) genoemd. Dat woord parasite lijkt op parricide (‘vadermoord’), en juist dat woord werd (met opzet of per ongeluk) in het Duits vertaald om er de hoge boord mee aan te duiden: Vatermörder. En die term werd vervolgens in het Nederlands vertaald, als vadermoordenaar.

Wambuis – gewatteerd kort vest voor mannen, soms mouwloos, dat meestal onder de bovenkleding werd gedragen. Het woord klinkt erg Hollands maar komt uiteindelijk van het Griekse bambakion (dat ‘katoen’ betekent).

XXL-kleding – extra grote maat kleding. De L staat voor ‘large’ , de X voor ‘extra’.

Yogapants – ‘yogabroek’, legging voor sportgebruik. Zeer populair momenteel.

Zuidwester – breedgerande hoed, vroeger van oliedoek, tegenwoordig van kunststof, die door zeelieden gedragen werd bij storm uit het zuidwesten. Waarom? Omdat dergelijke stormen vaak gepaard gaan met veel regen.

 

• Raymond Noë