Vandaag begint de Boekenweek, en daarbij hoort een Boekenweekgeschenk. Hoe schrijf je zo’n verhaal? Dichter Ingmar Heytze ging te rade bij Ilja Leonard Pfeijffer, de Boekenweekauteur van dit jaar.

Tekst: Ingmar Heytze
Illustraties: Erik Kriek

Alleen oppervlakkige lieden gaan niet af op de schijn. Op de minuut af punctueel logt Ilja Leonard Pfeijffer in op de Zoomsessie. We zien de schrijver in vol ornaat, de vingers vol zegelringen, achter zijn bureau in zijn monumentale woonhuis te Genua, met zicht op een raam dat uitkijkt op een mooie steeg en geflankeerd door twee gordijnen met embrasse – een ambassadeur in functie, en dat is dan ook precies wat hij als schrijver van het Boekenweekgeschenk de komende weken zal zijn. Met Monterosso mon amour leverde hij een leesbaar, licht en mooi rond verhaal af, een ode aan het verhaal zelf – en aan de vele mensen die het mogelijk maken dat er zoiets bestaat als literatuur.

Oké, ik zie dat je er helemaal klaar voor zit. Hoe gaat dat eigenlijk, gevraagd worden voor het Boekenweek­ geschenk?

“Het is iets wat stiekem al heel lang op mijn verlanglijstje stond. Het is een prachtig instituut, dat Boekenweekgeschenk, een heel mooie traditie. Je hoort altijd te zeggen dat het een grote eer is, en dat is in dit geval ook echt zo. In december 2020 werd ik gevraagd. Normaal gesproken komen ze dan ook bij je langs, maar dat zat er niet in tijdens de pandemie. De deadline stond op 1 september vorig jaar, in verband met de lange productietijd en de hoge oplage. En het moest ook nog naar het Fries vertaald worden. Kortom, in januari vorig jaar ben ik meteen begonnen.”

“Na afloop van de Boekenweek wordt altijd bekendgemaakt wie het volgende geschenk schrijft, maar dat persmoment hebben ze dit keer verschoven naar september – we leven nu eenmaal in tijden waarin alles verschoven moet worden. Dat pakte goed uit, want toen naar buiten werd gebracht dat ik het Boekenweekgeschenk zou schrijven, had ik het al af. Dat was wel zo rustig, want anders begint iedereen je eind maart al lastig te vallen met vragen waar het over gaat, terwijl je er nog mee bezig bent.”

Het literaire bedrijf

De uitdaging was dus: een eervolle, eenmalige klus, negen maanden de tijd en gelukkig geen mens die wist dat je ermee bezig was. Wat gebeurde er toen?

“Het schijnt dat sommige schrijvers al een manuscript in de la hebben liggen voor als ze een keer gevraagd worden, maar dat was bij mij niet het geval. Ik had ook niet onmiddellijk een idee waarvan ik wist: dát moet het worden. Ik heb een tijdje op twee gedachten gehinkt. Enerzijds leek het me aantrekkelijk om iets bijzonder actueels te doen, iets polemisch, misschien over de ‘woke culture’, maar ik kwam er al gauw achter dat ik daar veel meer ruimte voor nodig zou hebben. Het zijn 96 pagina’s, 20.000 tot 24.000 woorden, en daar kun je ook echt niet overheen. Dus toen kreeg al snel het tweede idee voorrang, en dat was om juist iets tijdloos te maken, een verhaal over het belang van verhalen. Ik had ook meteen het idee om als hoofdpersoon iemand centraal te stellen die achter de schermen het hele literaire bedrijf faciliteert. Een van die duizenden mensen die wij altijd tegenkomen op onze lezingen, festivals, literaire avondjes en zo: leesmoeders, boekhandelaren en bibliothecarissen bijvoorbeeld, degenen die vanuit de coulissen alles draaiend houden.”

De vleugels van onze vlucht.

“Schrijvers en dichters hebben enorm veel aan hen te danken, en ze worden eigenlijk nooit met name genoemd. Het leek me een mooie geste, ook voor de Boekenweek, om zo iemand centraal te stellen. Het thema van de Boekenweek is ‘eerste liefde’ en hoewel je je daar voor het Boekenweekgeschenk op zich niets van hoeft aan te trekken, vond ik het dermate inspirerend dat ik het juist wél heb gebruikt. Het is het verhaal geworden van Carmen, die op zoek gaat naar haar eerste vakantielief om na een half leven de belofte na te komen die bij eerste vakantieliefdes meestal wordt verbroken: dat ze terug zal komen.”

Eigen wil

Je noemde net het aantal pagina’s al. Had je ervaring met iets van die omvang?

“Nee, het was een nieuwe vorm voor mij. Ik heb nooit eerder iets gemaakt met die lengte, dus dat was wel even wennen. Normaal gesproken maak je gewoon je roman zo lang als je wilt; je laat het onder je vingers uit de hand lopen en daarna ga je je uitgever bellen, maar in dit geval kon dat niet. Deze afstand leent zich niet voor al te veel zijpaden. Je moet een beetje mikken met je spanningsboog en dat gaat makkelijker als je het al eerder hebt gedaan.”

“Als ik proza schrijf, weet ik vooraf bijna nooit hoe het afloopt, en dat stimuleert me ook enorm. Het is een van de belangrijkste redenen om door te schrijven aan een verhaal: ik ben zelf óók heel benieuwd hoe het verdergaat. Daarbij, en mensen geloven me nooit als ik dat zeg: het is een illusie om te geloven dat je je personages onder controle hebt. Sterker nog, ik vind het een heel goed teken als ik het idee krijg dat personages een eigen wil krijgen, en dingen gaan doen die ik helemaal niet voor ze heb bedacht. Dat betekent dat ze tot leven beginnen te komen.”

“Kortom: je moet het verhaal organisch laten groeien en er tegelijk voor zorgen dat het niet te groot wordt. Ik heb echt zitten schrijven met mijn blik gericht op de woordenteller. Bij tien-, twaalfduizend woorden dacht ik: dit moet ongeveer het midden zijn, klopt dat een beetje? Als je eerst een veel te lange, ruwe versie zou gaan maken die je naderhand moet inkorten ... Dat lijkt me vreselijk; dat zou ik niemand aanraden.”

Sherry

Heb je ruggespraak gehouden met collega’s die de eer al eerder te beurt viel?

“Nee, daar ben ik te eigenwijs voor. Als ik iemand om advies zou vragen, dan zou ik me vervolgens van dat advies niets aantrekken, dus ik heb geen routiniers gebeld. Ik heb wel een paar Boekenweekgeschenken doorgelezen die me zijn toegestuurd. Mijn moeder heeft alle geschenken trouwens compleet bij elkaar gespaard. Dat maakt het nog extra belangrijk voor mij: dat ik nu in die verzameling mag komen te staan. Maar uiteindelijk vond ik een ander ijkpunt: ik kwam erachter dat het Boekenweekgeschenk precies de lengte heeft van De dood in Venetië van Thomas Mann. Dat was het voorbeeld dat ik in mijn hoofd had.” Grijnzend: “Je moet de lat altijd hoog leggen. Die novelle komt ook voor in mijn verhaal: de hoofdpersoon, Carmen, heeft het als enige boek bij zich op vakantie als ze vanwege de pandemie strandt in het dorpje Monterosso. Dat is natuurlijk een echo van het boek van Mann zelf, waarin de hoofdpersoon tijdens een vakantie bezwijkt na een cholera-uitbraak.”

Even over Carmen. Ze zegt tegen het einde: “Ik heb over de wereld gereisd zonder de wereld te zien, ik heb tennisballen in een net geslagen en sherry ontdekt, ik ben zomaar opeens oud geworden zonder daar moeite voor te doen (...).” Die vrouw houdt wel heel erg van sherry en tennissen, kreeg ik de indruk.

“Tja, Carmen is de vrouw van een diplomaat. Dat is toch een bestaan waarin een zekere leegte zit. Er is weinig empathie voor nodig om te begrijpen hoe moeilijk het is wanneer je om de vijf jaar als aanhangsel van je partner naar de volgende plek op de wereld reist om precies hetzelfde leventje op te pakken met andere mensen. Carmen stelt vast dat er geen boeken bestaan over vrouwen zoals zij, en dat begrijpt ze ook wel, omdat er in haar leven niets is voorgevallen wat het vertellen waard is. Toch is ze bijna panisch op zoek naar een verhaal, naar een soort zingeving. Die krijgt ze uiteindelijk ook – heel anders dan bij De dood in Venetië is er voor haar wél een soort happy end; uiteindelijk krijgt ze toch haar verhaal.”

Om precies te zijn bij monde van haar oude klasgenoot, ene Ilja Leonard Pfeijffer, die ze een jaar eerder nog had geboekt voor een literaire avond, en naast wie ze ten slotte stomtoeval­ lig komt te zitten in het vliegtuig. Hij komt er overigens niet bijzonder ge­ flatteerd vanaf.

“Ik beleefde er natuurlijk wel een soort van satanisch genoegen aan om mezelf zonder enige compassie te beschrijven door de ogen van Carmen. Ik vond het ook wel mooi dat het verhaal van het Boekenweekgeschenk eigenlijk getriggerd wordt door een lezing in de vorige Boekenweek. Het idee om hem/mij tegen het einde ook terug te laten komen ontstond gaandeweg.”

Op eigen benen

De krant is kattenbakvulling voor morgen, een gedicht is hopelijk voor de eeuwigheid, van een roman weet ik het niet precies – waar zit een Boekenweekgeschenk ergens op dit spectrum?

“Tommy Wieringa heeft weleens gezegd dat het Boekenweekgeschenk moeite heeft om in te dalen in je oeuvre. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen; het blijft waarschijnlijk altijd een beetje apart staan. Het heeft natuurlijk een onmiddellijke functie in de Boekenweek. Het is het boek dat de grootste verspreiding zal hebben van alle boeken die je ooit zult schrijven. Je kunt er veel lezers mee bereiken, ook mensen die normaal gesproken niet zo geneigd zouden zijn om je boeken te gaan lezen. Dat maakt het heel waardevol, het geeft je een enorme kans. Het is ook een vorm van leesbevordering, zoals de hele Boekenweek dat is. Daar kunnen we natuurlijk alleen maar vóór zijn.”

“Op de lange termijn is het gewoon een novelle die je hebt geschreven, en als het wordt vertaald – hopelijk –, wordt het uiteindelijk gelezen door mensen die niet weten wat een Boekenweekgeschenk is. Het moet dus zó goed zijn dat het op eigen benen kan staan, en dat het langer meekan dan die week van tien dagen.”

“Qua vorm is het wel heel anders dan mijn andere werk, en dan niet alleen qua omvang. Het is tevens mijn enige boek in de derde persoon tegenwoordige tijd. Dat was voor mij een vormexperiment. Het is geen alwetende verteller, we zien alles door de ogen van Carmen. Die tegenwoordige tijd geeft een idee dat je erbij bent, dat alles nú gebeurt. Het werkt heel goed voor flashbacks, je kunt binnen een alinea gewoon terugspringen naar het verleden. Dat wekt voor de lezer geen enkele verwarring omdat je dan de verleden tijd gebruikt.”

Dat klinkt bijna als een tip: schrijf het Boekenweek­ geschenk in de tegenwoordige tijd. Stel dat de volgen­ de schrijver die deze eer te beurt valt je panisch opbelt: ‘Ilja, red me, ik zit met de handen in het haar, hoe moet ik dit aanpakken?’ Hoe zou je je collega uit de nood helpen?

“Ik zou er in elk geval begrip voor hebben, omdat er een grote druk op ligt – dat voelde ik zelf ook wel zo. De kunst is om die druk om te vormen tot iets positiefs, tot iets wat stimuleert in plaats van verlamt. Ik denk dat ik die schrijver eerder psychologisch advies dan schrijftips zou geven. De enige leerschool die er is, is lezen: de andere boeken die je kent, de dingen die je bewondert bij andere schrijvers: dat is de bagage die je meeneemt, daar meet je jezelf aan.”

Vrij hoofd

Die De dood in Venetië­-lengte komt me voor als veel en weinig tegelijk. Negen maanden tijd is dus hooguit elf bladzijden per maand, een paar duizend woorden. Je had in die tijd vast nog wel andere dingen aan je hoofd, maar dat klinkt toch wel haalbaar. Aan de andere kant, als het even niet lukt ...

“Je moet je race anders indelen. Het is geen marathon, eerder een 1500 meter – maar die moet je ook indelen. Ik heb het ook in alle rust geschreven; uiteindelijk was ik drie weken te vroeg klaar. Het is bij proza wel het beste om fulltime te schrijven, je moet er zo veel mogelijk ‘headspace’ voor hebben, want het is iets wat de hele tijd in je hoofd doorgaat. Ook op momenten dat je niet achter je schrijftafel zit, kun je niet al te veel andere beslommeringen in je hoofd toelaten – bij een grote roman kan dat zelfs obsessieve vormen gaan aannemen. Het beste is om dat zo geconcentreerd mogelijk te doen. Ik heb er niet zo veel moeite mee om er op een middag een column tussendoor te schrijven, dat stoort de gedachtegang niet al te erg, maar ik had niet tegelijkertijd aan een ander verhaal kunnen werken. De pandemie hielp natuurlijk om de agenda leeg te vegen, maar anders had ik ook wel optredens afgezegd. Die kosten toch veel energie, hoe leuk het ook is om te doen.”

“Ik geloof dat Remco Campert weleens heeft gezegd dat negentig procent van de activiteit van het dichten bestaat uit in de stemming komen. Ik herken dat heel sterk. Je moet de juiste geestesgesteldheid vinden. Met proza is dat niet anders. Je kunt geen kunstwerk scheppen als je weet dat je over anderhalf uur een belangrijke afspraak hebt. Je moet gewoon een heel erg vrij hoofd hebben waarin de associaties alle kanten op kunnen vliegen, ongehinderd door bijgedachten. Dat is fundamenteel. Je moet daar ruimte voor nemen. Ook al zit je voor een gedicht uiteindelijk misschien vijf minuten met een pen in je hand, je bent er toch uren, dagen mee bezig in je hoofd.”

Ritme en schwung

“Proza schrijven is te vergelijken met componeren. Als je merkt dat er ritme en schwung in komt, dan ben je op de goede weg. Hoe diepzinnig je ook wilt zijn, je eerste opdracht als schrijver blijft toch om ervoor te zorgen dat je lezer de pagina omslaat. Als je schrijvenderwijs het gevoel krijgt dat er genoeg suspense in zit, dat je als schrijver óók wilt weten hoe het verdergaat, dan ben je op de goede weg. In een gedicht kun je je meer permitteren, bij proza heb je ook te maken met lezers die een verhaal willen en geen experiment; de rationele kant wordt dan misschien sterker. De kunst is natuurlijk om, zoals met alles wat je maakt, iets te schrijven dat niet instort. Dus je moet voortdurend blijven nadenken over de spanningsboog en de compositie.”

Ik heb weleens iemand horen beweren dat een roman eigenlijk gewoon twee of drie vervlochten novellen zijn. Kun je zo nadenken over proza, of is dat te simpel?

“Jawel, alleen: dat vlechten is iets moeilijker dan je denkt. Je moet erover hebben nagedacht dat die verhalen ook iets met elkaar te maken hebben, en dan zit je al op grotere schaal te componeren. Het aantrekkelijke van een grote roman is dat je een gebeurtenis, kwestie of probleem vanuit allerlei invalshoeken kunt benaderen, door de ogen van verschillende personages en met verschillende verhaallijnen. Zo kun je ook ambiguïteit creëren, de complexiteit van de dingen laten zien. In een kort verhaal of novelle heb je dat niet meer, daarin moet je rechttoe-rechtaan het verhaal vertellen. Als je het vergelijkt met films is zo’n novelle een film van een uur of zo, en een roman een Netflix-serie.”

Denk je dat je, nu je de afstand hebt uitgezocht, vaker een novelle zult schrijven?

“Dat sluit ik niet uit, want ik vond het uiteindelijk een prettige vorm. Maar, dat gezegd zijnde: ik ben inmiddels weer met iets nieuws bezig, en dat wordt weer een hopeloos meerjarenproject: een groot boek.”

 

Ilja Leonard Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk (ZH), 1968) studeerde klassieke talen in Leiden en promoveerde in 1996.
Hij is gespecialiseerd in het werk van de klassieke Griekse dichter Pindarus. Pfeijffer schrijft onder andere romans, verhalen, gedichten, columns, essays, toneelstukken en scenario’s. Zijn werk werd vertaald in onder meer het Engels, Duits en Italiaans.

In 2014 won hij de Libris Literatuur Prijs voor de bestseller La Superba. Voor zijn dichtbundel Idyllen (2015) kreeg hij de Jan Campert-prijs, de VSB Poëzieprijs en de Awater Poëzieprijs – de eerste keer dat een dichter deze ‘grand slam’ won. In 2015 was Pfeijffer de auteur van het Poëziegeschenk. In 2016 verscheen zijn versie van de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, die daarvoor altijd was samengesteld door Gerrit Komrij (1944-2012).

Van Pfeijffers roman Grand Hotel Europa (2018) werden in Nederland ruim 300.000 exemplaren verkocht. Het boek verscheen in meer dan twintig landen.

Sinds 2009 woont en werkt Pfeijffer in Genua, Italië.

 

Het Boekenweekgeschenk 2022

De hoofdpersoon van de novelle Monterosso mon amour van Ilja Leonard Pfeijffer is Carmen, de vrouw van een diplomaat. Ze is op zoek naar zingeving. Een fragment:

Was het maar waar dat de wereld vol geheimen is. Als achter de dingen grotere dingen schuilgingen, die alleen door de gevoeligste en stilste mensen vermoed kunnen worden op een manier die op weten lijkt, dan zou ze altijd en overal, zelfs in Cotonou, Wellington en Lima en zelfs in de aantrekkelijke, middelgrote Nederlandse gemeente L***, hoop gehad kunnen hebben op het vinden van betekenis. Zelfs een openbaring die weigerde zich te openbaren, zou haar troost hebben geboden. Voor haar zou het al heel wat zijn geweest om te bevroeden dat er ergens buiten haar bereik, ver van de tennisbaan en de sherryfles, in theorie iets te ontdekken geweest zou kunnen zijn, in plaats van zeker te weten dat een mensenleven als een op en neer stuiterende voetbalwedstrijd van bedoelingen, fouten en momenten aan elkaar hangt en daarbij ook nog eens slaapverwekkend voorspelbaar is, omdat het er altijd op uitloopt dat iemand wint of niet. Betekenis vindt ze in boeken, waar het gemodder van het toeval door de alchemie van de woorden is omgesmolten tot een glanzende bol onontkoombaarheid. Dat is het geheim: dat je de wereld niet nodig hebt om er betekenis in te ontdekken.


Monterosso mon amour van Ilja Leonard Pfeijffer is het Boekenweekgeschenk van 2022. Van 9 tot en met 18 april ontvangt u het gratis in de boekwinkel bij besteding van ten minste € 15,– aan Nederlandstalige boeken.


Alsjeblieft, dit artikel kreeg je cadeau!

Dit artikel uit het aprilnummer (2022) van Onze Taal werd je gratis aangeboden door de redactie van het tijdschrift. Nooit meer iets missen? Word lid van Onze Taal!