Wetenschappers aan de Vrije Universiteit (VU) hebben aangetoond dat "het veronderstelde effect van metaforische taal op het denken minder direct en simpel is dan gedacht". De directe aanleiding voor hun onderzoek was een Amerikaanse studie naar de invloed van metaforen in teksten, waarin lezers een tekst voorgelegd kregen over de toename van het aantal misdaden in een fictieve stad. Uit dat onderzoek bleek dat de proefpersonen handhavingsgezinder waren als de misdaad in de tekst vergeleken werd met een beest dan als de misdaad vergeleken werd met een virus.

De Amsterdamse wetenschappers zien dit effect in hun onderzoek echter niet optreden. Gerard Steen – een van de onderzoekers – stelt: “In al onze experimenten maakt het niet uit of lezers een virus- of een beestmetafoor aan het begin van de tekst lezen, ze doen allemaal hetzelfde: vóórdat ze de tekst lezen zijn ze allemaal redelijk neutraal in hun voorkeur voor handhaving of hervorming, maar ná het lezen zijn ze allemaal meer opgeschoven naar handhaving.”

Uit vervolgonderzoek moet blijken wanneer metaforen wel en wanneer ze niet een ‘framingeffect’ op lezers kunnen hebben. (VU, PLOS ONE)

Vorige Volgende