Mensen met afasie, een taalstoornis door niet-aangeboren hersenletsel, hebben onder andere moeite met grammatica en woordvinding. Rimke Groenewold en Laura Bos, promovendi aan de Rijksuniversiteit Groningen, hebben onderzoek gedaan naar twee aspecten van de communicatie met afasiepatiënten.

Groenewold onderzocht de verwerking van directe-rede-constructies. Afasiepatiënten gebruiken vaker de directe rede (Jan zei: "Ik moet gaan") dan de indirecte rede (Jan zei dat hij moest gaan). Daarnaast blijkt dat de directe rede zowel voor mensen mét als voor mensen zónder afasie beter te begrijpen is dan de indirecte rede.

Bos richtte zich in haar onderzoek op werkwoorden. Ze toonde aan dat werkwoorden die naar het verleden verwijzen (Jan liep) moeilijker zijn voor mensen met afasie dan werkwoorden die naar het heden of de toekomst verwijzen.

De inzichten kunnen van belang zijn voor de therapieën voor afasiepatiënten. "Je kunt alleen therapie geven als je weet hoe taal in ons hoofd zit", aldus Roelien Bastiaanse, de promotor van beide onderzoekers.

Vorige Volgende