tiara (de)


Citaat

“De 40-karaats diamant werd 46 jaar geleden voor het laatst in het openbaar gedragen (...). Het bijbehorende diadeem droeg de koningin eerder dit jaar al wel, bij het banket tijdens het staatsbezoek aan Luxemburg. De tiara is in 1690, vlak na de kroning van koning-stadhouder Willem III en koningin Mary, in het bezit van de Oranjes gekomen.”
(Bron: Ze doet het! Máxima met kostbare Stuart-diamant aan tafel bij Queen – Jeroen Schmale, AD, 23 oktober 2018)

Betekenis

koninklijke (halve) kroon; met edelstenen versierde band voor om het hoofd

Uitspraak

[tie-a-ra]

Woordfeit

Al sinds mensenheugenis dragen koningen, koninginnen, priesters, priesteressen en andere hoogwaardigheidsbekleders kronen of vergelijkbare fraaie hoofdtooien op hun hoofd om hun status en waardigheid te tonen. Het Griekse woord tiara werd aanvankelijk gebruikt voor de hoofddeksels van oosterse vorsten en priesters, waaronder tulbanden. Of tiara zelf ook op een oosterse of Aziatische taal teruggaat, is niet helemaal duidelijk. In ieder geval is het woord via het Latijn in het Nederlands terechtgekomen.

Lange tijd werd met tiara vooral de zogenaamde driekroon van de paus aangeduid: drie kronen boven op elkaar. Maar tegenwoordig is tiara vaak een synoniem voor een diadeem: een halfronde kroon of een haarband, al dan niet versierd met kostbare edelstenen. 

Ook diadeem komt uit het Grieks, namelijk van diadema. Dat woord is gevormd met het voorzetsel dia- ‘door ... heen’ en een afleiding van het werkwoord dein ‘binden’.