onbestorven


Citaat

“Die ochtend had ik de tassen gepakt voor een weekend in een Drents vakantiehuis. De Man ging niet mee, te druk, in zijn plaats kwamen mijn vriendin Carolien en haar zoontje. Zij weduwe, ik onbestorven weduwe, het paste precies. Met het zweet op de neus kreeg ik het hele spul die ochtend in de auto, met een sterk besef van kwetsbaarheid jakkerde ik daarna over de A7.”
(Bron: Ik was toegetreden tot het leger der onzichtbaren – Eva Hoeke, de Volkskrant, 9 september 2021)

Betekenis

(hier:) alleen(staand) doordat de partner langdurig of vaak afwezig is

Uitspraak

[on-buh-stor-vuhn] of [on-buh-stor-vuhn]

Woordfeit

Als iemands huwelijkspartner of ouders zijn overleden, kan die persoon bestorven genoemd worden: een ‘bestorven jongen’ is een weesjongen, een ‘bestorven weduwe’ een vrouw van wie de echtgenoot is gestorven. Een onbestorven weduwe klinkt tegenstrijdig: hoe kun je weduwe zijn als je partner niet is overleden? Een onbestorven weduwe ís in feite ook geen weduwe, maar de echtgenoot verblijft zo lang of vaak ergens anders dat ze het leven van een weduwe heeft – alleen, zonder partner.

De term stamt uit de tijd dat je niet in een paar uur met een vliegtuig de hele wereld over vloog. Als een echtgenoot bijvoorbeeld lang op zee was of een poos in een overzeese kolonie verbleef, leefde de achtergebleven vrouw als een onbestorven weduwe.

Onbestorven komt ook nog in andere contexten voor. Vlees dat té versgeslacht is om te eten, bijvoorbeeld, heet ook onbestorven. De eerste versheid moet eraf zijn: het vlees moet besterven, even blijven hangen of liggen. En in de bouwwereld kan net aangebracht en nog niet helemaal opgedroogd verf- of metselwerk eveneens onbestorven genoemd worden.