dilettant (de)


Citaat

“‘Oogen die kijken’, zoals de tentoonstelling heet, wil daarbij vooral op zoek gaan naar parallellen tussen het literaire werk van de gevierde schrijver en de kiekjes van de dilettant-fotograaf.”
(Bron: ‘Willem Frederik Hermans wordt 100 en Stijn Streuvels 150’ – Frank Hellemans, Doorbraak.be, 25 augustus 2021)

Betekenis

beoefenaar uit liefhebberij, amateur; ook wel: prutser

Uitspraak

[die-let-tant]

Woordfeit

Het woord dilettant komt sinds het begin van de negentiende eeuw voor in het Nederlands. Het komt via het Duits of het Frans van het Italiaanse dilettante. Dat betekende oorspronkelijk ‘iemand die ergens plezier aan beleeft’, ‘iemand die iets uit liefhebberij doet’ – bijvoorbeeld muziek maken of iets anders waar je enige aanleg voor moet hebben.

Maar het woord wordt – zowel in het Nederlands als in andere talen – ook geregeld in negatieve zin gebruikt, in de betekenis ‘knoeier, prutser’. Dat geldt overigens ook voor amateur: dat kan een neutrale aanduiding zijn voor iemand die iets niet als vak maar als hobby doet, maar het kan ook een negatieve klank hebben en iemand aanduiden die maar wat aanrommelt en niet serieus te nemen valt.

Het Italiaanse dilettante is afgeleid van het werkwoord dilettare, ‘genoegen doen, plezieren’; dat gaat terug op het Latijnse delectari: ‘behagen scheppen in, plezier halen uit’.