defaitisme (het)


Citaat

“In een stuk in het Leidsch Universiteitsblad riep hij zijn studenten op om moed te houden: ‘Hoezeer dus neerslachtigheid, gegeven de huidige toestand, begrijpelijk is, wie haar in defaitisme voor de toekomst laat ontaarden, begaat een zonde tegen zichzelf en tegen ons volk.’ Het artikel zorgde ervoor dat veel studenten zich gingen inzetten tegen de nazificatie van de universiteit.”
(Bron: Voor Ben Telders kwam de bevrijding negen dagen te laat – Sebastiaan van Loosbroek, Mare, 5 mei 2020)

Betekenis

moedeloosheid 

Uitspraak

[dee-fè-tis-muh]

Woordfeit

Defaitisme is zoals zoveel woorden vanuit het Frans in het Nederlands terechtgekomen. Het Franse woord is op zijn beurt een leenvertaling van een Russisch woord dat zoiets betekent als ‘het mentaal opgeven van de strijd’. Het werd tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Russische schrijver Aleksinski gebruikt om de houding aan te duiden van tegenstanders van de oorlog, van mensen die niet (meer) geloofden in een militaire overwinning en de strijd wilden staken. Lenin gebruikte de term geregeld voor zijn rivaal Trotski en gaandeweg werd het woord in heel Europa bekend. In het Frans werd het vertaald met behulp van het woord défaite, dat ‘uitvlucht, nederlaag’ betekent. Letterlijk is défaite ‘het niet handelen’: het werkwoord faire (‘doen, maken’) ligt erin besloten, dat is voortgekomen uit het Latijnse facere voor ‘maken, doen’.

In de loop van de tijd kreeg defaitisme meer en meer een algemenere betekenis: de moedeloosheid van iemand die de hoop op de goede afloop heeft opgegeven, de wens om de strijd maar op te geven, omdat alles toch kansloos is.