coterie (de)


Citaat

“Buiten zijn theatrale, literaire en beeldende kunsttalenten bezat Jan Naaijkens de gave om mee te groeien met een volgende generatie en toch zichzelf te blijven. Was dat dan zo’n verdienste? Ja, want Jan had heel makkelijk vast kunnen blijven zitten in de katholieke coterie die hier in Noord-Brabant tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw de dienst uitmaakte.”
(Bron: Column: Jan Naaijkens, JACE van de Ven, Brabant Cultureel, 2 februari 2019)

Betekenis

besloten gezelschap; kliek

Uitspraak

[ko-tuh-rie]

Woordfeit

Het woord coterie komt uit het Frans. In de Middeleeuwen duidde het een vereniging van boeren op een adellijk landgoed aan. Later kreeg het de algemene betekenissen ‘genootschap’ en ‘besloten gezelschap’. In het Nederlands heeft coterie vaak de bijklank van ‘clubje mensen dat anderen (die er niet bij horen) uitsluit’. 
Het Franse coterie is waarschijnlijk net als cotier, een Oudfrans woord voor ‘boer’, afgeleid van een Germaans woord dat ‘hut’ betekende. Dat woord is verwant aan het Engelse cottage (‘hutje, huisje’) en kot, dat een ‘kleine (vaak armoedige) woning’ aanduidde en in België vooral ‘studentenkamer’ betekent.