animositeit (de)


Citaat

“De Vlaamse regering slaagt er evenmin in noodzakelijke beleidskeuzes te maken. De mest- en stikstofplannen, de betonstop en de schuldaanpak wachten allemaal op definitief uitsluitsel. De aanhoudende animositeit tussen de coalitiepartners N-VA en Open VLD helpt de zaken niet vooruit.”
(Bron: Paleis der Natie | Dobberende kurken – Rik Van Cauwelaert, De Tijd, 2 januari 2022)

Betekenis

vijandigheid, wrijving

Uitspraak

[a-nie-mo-zie-teit]

Woordfeit

Animositeit is in de zestiende eeuw ontleend aan het Frans. Zowel het Franse animosité als het Nederlandse animositeit had oorspronkelijk de betekenis ‘moed’. Het Latijnse animositas ligt eraan ten grondslag: dat is afgeleid van animosus, dat ‘moedig, trots’ betekent. Daarin is animus/anima te herkennen, ‘ziel, adem’, en -osus, dat ‘vol van’ betekent. Animosus was dus ‘vol ziel’, ‘geestdriftig’, kortom ‘moedig, trots’.

In het Laatlatijn kreeg animositas er de betekenis ‘vijandschap, vijandelijkheid’ bij en die betekenis hebben het Frans en het Nederlands vervolgens in de zeventiende eeuw overgenomen.