Voetbaltaal (René Appel, 1990)

'Zag je hoe Vanenburg over z'n mannetje heenging? En hoe-die de bal naar Gerets stiftte?'

'Die ging precies op tijd de vrije ruimte in.'

'Ja, hij legt neer in de zestien, Kieft neemt 'm in één keer op de pantoffel, en hij knalt zo binnen. Boem, hangen ... in het kruis.'

'Die keeper dacht zeker dat-ie in de korte hoek zou komen.'

'Nou, hij zag er ook niet goed uit, dat keepertje.'

Stelt u zich voor, een inwoner van Nigeria. Hij heet Murtala Gowon. Mensen doen soms gekke dingen, en dus heeft hij in Nigeria jarenlang Nederlands gestudeerd. Dankzij een prachtig talenlaboratorium, een goede leraar en een onvoorstelbaar doorzettingsvermogen spreekt hij bijna vloeiend Nederlands. Tijdens zijn eerste verblijf hier in Nederland loopt hij op een woensdagavond door het centrum van Eindhoven. Hij weet niet wat hem overkomt. Een dolle menigte zingende en schreeuwende mensen. Overal kleurige sjaals, spandoeken ('Boxtel groet PSV'), mensen die gehuld zijn in vlaggen. Een oorverdovend lawaai van toeters en sirenes. Mannen die, de armen over elkaars schouder geslagen een dansje maken. Dan weer gezang waarin Murtala het steeds maar terugkerende 'Olé, olé, olé' herkent. Een dwingende herhaling die mensen in een trance lijkt te brengen.

Murtala heeft een soort déja-vu. Afrika in Eindhoven. Kijk, daar lopen zelfs een paar mensen die hun gezicht rood en wit geschilderd hebben. Zouden dat de oorlogskleuren zijn? Willen ze zo de vijand schrik aanjagen? In de stokken waaraan de spandoeken zijn bevestigd, zou je eventueel speren kunnen zien. Olé, olé, olé, olé, we are the champions.

Ergens achteraf vangt Murtala de dialoog over Vanenburg en zijn stiftballetje op, en hij begrijpt er helemaal niks van. Is dit nog wel Nederlands? De klanken zijn bekend, maar de woorden kan hij onmogelijk thuisbrengen. Hij kijkt in zijn zakwoordenboekje, maar zoekt vergeefs naar stiftballetje en wat er over hangen staat, brengt hem ook niks verder. En dat keepertje dat 'er niet goed uit zag'? 'Een 'keeper' is een doelverdediger bij het voetbalspel, zoveel weet Murtala nog wel, maar had die de verkeerde kleren aan of was hij misschien ziek? En wat had dat dan met het voetbalspel te maken? De mensen van deze secte of deze stam blijken een eigen soort Nederlands spreken, een taal die je niet uit de boeken of in een talenlaboratorium kunt leren. Misschien iets voor zijn scriptie. Hij zou een paar maanden helemaal in die groep moeten onderduiken, 'participerende observaties' moeten verrichten zoals dat officieel heet, veldwerk doen, om de geheime codes te kunnen doorgronden.

Desmond Morris is een beroemd (sociaal) biolooog die min of meer toevallig is terecht gekomen in de wereld van het voetbal, tegenwoordig ook wel de voetballerij genoemd. Alweer zo'n term, die tamelijk recent is opgekomen. Een bakker heeft een bakkerij, een slager een slagerij. En de voetballer een 'voetballerij'? Daarmee wordt gedoeld op alles wat met het voetbal te maken heeft, de spelers, maar vooral ook de bestuurders, de scheidsrechters, de organisatie. 'In de voetballerij is alles mogelijk,' constateert een bestuurslid, als de medewerkers van de FIOD met dozen vol belastend materiaal het stadioncomplex verlaten.

Terug naar Morris. Hij heeft de voetbalwereld al beschreven als een 'stam', zoals een antropoloog misschien een studie zou maken van een stam in Afrika of op Nieuw-Guinea: het stamterritorium, de stamrituelen, de stamtradities, alles wat een besloten gemeenschap kenmerkt en haar anders maakt dan de rest. In die voetbalgemeenschap is de wedstrijd het centrale ritueel, de spelers zijn de helden, en de doelpunten zijn de rituele hoogtepunten. De climax van de jacht is immers het mikken op een doel. Het is ook niet gek dat Murtala de kleur rood zo vaak zag. Volgens Morris is het de populairste kleur voor het voetbaltenue. Het is immers de kleur die het beste is waar te nemen, ook in de verte, en 'het heeft een krachtige symbolische werking als kleur van bloed, energie, leven, kracht en macht'. Niet voor niks dat Liverpool, nu al jarenlang de sterkste club van Engeland 'the reds' als bijnaam heeft. En in Nederland hebben Ajax, Feijenoord en PSV, ondanks al het Rotterdamse leed van de laatste jaren de topdrie van Nederland, de kleur rood officieel in hun shirt.

Een stam heeft ook een eigen stamtaal: het jargon. Elke groep die zich onderscheidt van andere groepen heeft een eigen taalgebruik. Het belangrijkste kenmerk daarvan is de stamterminologie: de eigen woorden, die vaak verwijzen naar eigen gebruiken en eigen begrippen. Allerlei beroepsgroepen hebben eigen termen die zich soms snel verspreiden over de hele taalgemeenschap. Op het Binnenhof bedenken politici voortdurend nieuwe woorden: afslanking, beperking van de groei, zorgzame samenleving, inverdieneffecten, onderuitputting, ombuigen, kostenplaatje. Het taalgebruik van de politiek is openbaar, en daarom kent iedereen het op een gegeven moment, zonder vaak de precieze betekenis van al die woorden te doorgronden. Maar misschien is dat ook wel de bedoeling.

Nog enkele voorbeelden uit een andere, zeer onverdachte hoek. De NJN, Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, heeft ook een eigen jargon, waarin bijvoorbeeld vaak nieuwe woorden worden gemaakt van afkortingen: de 'bovo' is de bondsvoorzitter, en de 'matras' de materiaalassistent. De leden van deze vereniging gaan vaak op kamp, en eten dus samen. Dat betekent meteen weer veel eigen jargon in de eetsfeer: 'gemalen damesondergoed' voor gekleurde hageltjes, 'zand' voor bruine suiker, 'kots' voor broodbeleg van groente of stamppot van de vorige dag en 'sleef' voor soeplepel.'

Waarom eigenlijk dat jargon, die eigen woorden? In de eerste plaats zijn er natuurlijk de begrippen, regels en gebruiken die ik hierboven al noemde. Als de regering een manier bedenkt om mensen die niet getrouwd zijn, maar wel samen in één huis wonen, meer belasting te laten betalen, dan is het handig als daar één woord voor komt, in plaats van een omschrijving zoals hierboven. Dat werd dus 'voordeurdelersregeling', en in het verlengde daarvan werden mensen die in één huis woonden en ieder een eigen inkomen hadden 'tweeverdieners' genoemd, die trouwens ook weer 'een economische eenheid' vormden. Wanneer voor een voetbalwedstrijd de scheidsrechter met de aanvoerders van de beide partijen een klein toneelstukje opvoert met als enige attribuut een muntstukje dat opgegooid wordt, dan wordt dat de toss genoemd. De aanvoerder van de bezoekende club mag raden welke kant van het door de scheidsrechter opgegooide muntstukje boven komt te liggen. Als hij het goed raadt (kop of munt), mag hij kiezen welk doel zijn ploeg in de eerste helft gaat verdedigen. De andere partij mag dan aftrappen. De winnaar mag er echter ook voor kiezen zelf af te trappen. Als de aanvoerder van de bezoekende club verkeerd heeft gegokt of liever eerst aftrapt, mag de aanvoerder van de thuisclub de keuze maken. Maar liefst 83 woorden heb ik nu gebruikt om het simpele toss te omschrijven. Minder had misschien ook gekund, maar dat zou de duidelijkheid niet bevorderen. Een bijkomend probleem is natuurlijk nog dat de sommige woorden uit de omschrijving ook weer voor een deel uit sportjargon afkomstig zijn: scheidsrechter, thuisclub, aftrappen, eerste helft. Voeg aan die 83 woorden nog maar eens een omschrijving van scheidsrechter toe, dan wordt het een niet meer te begrijpen woordenbrij.

Maar het is niet alleen de dwingende noodzaak om dingen snel te kunnen benoemen, die leidt tot het ontstaan van jargon. Anders zou hetzelfde niet zo vaak op zo veel verschillende manieren worden uitgedrukt. Wat is de noodzaak van hangen waar zitten precies dezelfde betekenis uitdrukt: een bal die het doel in gaat, een doelpunt, een goal, een treffer? Jargon wordt ook, en misschien vooral, gebruikt om het ons-kent-ons-gevoel uit te drukken, wij tegen hunnie. Om het in min of meer wetenschappelijke termen te zeggen: het jargon dient om verbaal de grenzen van de eigen gemeenschap, dus van de voetballerij, te markeren. In dit opzicht is voetbaltaal te vergelijken met een dialect. Ook daarmee onderscheidt de ene groep sprekers zich van de andere groep, en al of niet bewust stellen ze prijs op dat onderscheid.

In een stukje over het taalgebruik van het voetbalverslag en het daaraan gekoppelde spelersinterview schreef Kees Fens het volgende. 'Het aardige van zo'n stuk is, dat de verslaggever jargon schrijft en de speler zich in het jargon uitdrukt. Het mooie is, dat de ervaren lezer het jargon kent, hij gebruikt op de tribune en in de huiskamer dezelfde termen. Het resultaat is, dat er een verbondenheid ontstaat tussen lezer, schrijver en voetballer, middels de taal. In enkele jaren is dat verbond zo hecht geworden dat niemand het meer durft te verbreken. Het gevolg: de journalisten gaan steeds meer jargon gebruiken, de voetballers hebben een nieuwe moedertaal gekregen en de lezer krijgt bij elk stuk dat hij leest het grote geluk van het gelijk: want hij leest precies wat hij zelf ook zou zeggen.' Een functie van het jargon is inderdaad het benadrukken van die verbondenheid: in de voetballerij spreekt men een stamtaal, zoals Desmond Morris het noemt.

Maar voetbaltaal is meer dan alleen jargon. Het is ook een bepaalde manier van praten, binnen en buiten het veld, het taalgebruik van trainers en verslaggevers, kortom alle taal in, vooruit daar gaat-ie weer, de voetballerij. In de volgende hoofdstukken zullen we dit nader illustreren.


terug | inhoudsopgave | vooruit