'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, oktober 2001, blz. 270

Dichters weten niets over poëzie. Toch krijgen ze geregeld de meest verschrikkelijke vragen over hun vak. Wat inspireert u tot het schrijven van een gedicht? Dicht u alleen als u inspiratie hebt, of kunt u het altijd? Móét u dichten of zou u het ook kunnen laten? Is het schrijven van poëzie een vorm van therapie? Wat wilt u met uw gedichten zeggen? Kunt u ervan leven? Sommige dichters hebben de neiging om op deze vragen te reageren als spionnen, meesterdieven of slotenmakers. Ze doen er het zwijgen toe of geven een antwoord dat zo vaag en ontwijkend is dat je er niets wijzer van wordt. “Dichters liegen de waarheid”, zei Bertus Aafjes. “Een gedicht bestaat uit woorden en de stilte daartussen”, vond Martinus Nijhoff. “Dichten is afleren”, bromde J.C. Bloem. Op zichzelf zijn dit soort uitspraken allemaal waar en verdedigbaar, maar voor de geïnteresseerde leek niet erg verhelderend. Natuurlijk zijn er ook definities die wel degelijk een tipje van de sluier oplichten. “De dichter is een blok kwarts dat elke nacht van diamanten droomt”, aldus Pierre Reverdy. En Nico Scheepmaker schreef: “Poëzie is als je het hart opent met een zilveren sleuteltje dat ook op een fietsslot past.” Tot zover het Spectrum citatenboek.

Dichters zouden met hun mystificaties de indruk kunnen wekken dat ze beschikken over een soort geheime kennis, die ze niet zomaar met Jan en alleman willen delen. In werkelijkheid weten ze zich geen raad met vragen naar de aard van hun dichterschap. Vraag een buschauffeur naar zijn rijbewijs voordat u instapt, eis gerust dat de badmeester zijn diploma's laat zien voordat u een duik in zijn zwembad overweegt, maar val een dichter niet lastig met vragen over zijn werk. U moet niet bij hem zijn. Hij heeft het allemaal ook niet bedacht, hij heeft het alleen maar opgeschreven. Dit is niet uit te leggen aan letterkundigen, die voortdurend menen te moeten vorsen naar dieper gelegen betekenissen en intenties, ook al is ze honderd keer verteld dat elke bedoeling met een gedicht een bedoeling achteráf is. Ik word nog weleens zwetend wakker van het optreden dat ik vorig jaar gaf voor een aantal tweedejaars Nederlands. Na afloop begonnen de studenten vragen te stellen als: 'Wat is uw poëtica?' De verontwaardiging was groot toen bleek dat ik er geen had. Tenminste, geen poëtica zoals ze die op college hadden geleerd, maar een waarvoor ze zelf op zoek zouden moeten gaan in mijn werk. Het was niet in ze opgekomen dat je de bedoeling van een dichter zou kunnen gaan zoeken in zijn gedichten, in plaats van ze te gaan duiden met een handleiding vooraf. Zoals Paul Valéry schrijft: “Als een vogel precies kon zeggen wat hij zingt, waarom hij zingt en wat het in hem is dat zingt, zou hij niet meer zingen.”

De waarheid is hard: dichters dóén maar wat. Op den duur verzinnen ze wel een citeerbare legitimatie die de waarheid niet al te veel geweld aandoet, maar in feite weet een dichter bijna niets van zijn vak en leert hij er bitter weinig over, want gedichten schrijven komt voornamelijk neer op levenslang vergeten wat je wist, en opnieuw beginnen. Dichten is een van de hoogste vormen van denken – in feite is het niet-denken. Daarom kan een dichter ook met geen mogelijkheid zeggen wat hem inspireert tot het schrijven van een gedicht. Het kan hem ook niet schelen totdat het zover is. Inspiratie is een kogel. Je voelt er niets van totdat hij inslaat, en dan heb je wel iets beters te doen dan uitleggen waar hij eigenlijk vandaan komt.


<< september 2001 | november 2001 >>

Dossier 'Raptus'