'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, december 2001, blz. 335

Dichterschap kent geen diploma's. Opleidingen tot dichter bestaan al evenmin. Wel is er een enorm assortiment aan goedbezochte cursussen en workshops. Blijkbaar wordt hiermee in een brede behoefte voorzien, terwijl het op voorhand duidelijk is dat je langs deze weg onmogelijk kunt leren dichten. Het probleem begint al bij de man of vrouw voor het bord. Didactisch en artistiek talent sluiten elkaar in de meeste gevallen uit: goede leraren zijn zelden goede dichters en vice versa, om maar niet te spreken van de ongelukkigen die geen van beide kunnen en desondanks allebei doen. Maar al zou je een maestro treffen die ook nog geweldig lesgeeft, dan geldt nog steeds dat de kern van dichterschap niet overdraagbaar is. De overige negentig procent is weliswaar te leren, maar niet zonder noodlottige simplificatie.

Je kunt een beginnende dichter niet veel bijbrengen door de poëzie in al haar complexiteit op hem los te laten. Als literair docent kun je dit ondervangen door de trukendoos van de poëzie stukje bij beetje uit te pakken, in de hoop dat je pupillen die stukjes later weer in elkaar weten te passen. Deze werkwijze lijkt nog het meest op een kampeertocht met een auto stampvol bagage. Als je de straat uit rijdt, ligt alles nog keurig op zijn plek, maar in de loop van de vakantie blijkt het steeds moeilijker om je spullen net zo economisch op te bergen als in het begin. Slaapzakken, tentzeil en campinggas hebben de vrijheid geroken en laten zich niet meer zomaar inpakken. De zwetende en vloekende vader ben jij, de docent, de spullen zijn alle bekende poëtica's en stijlmiddelen en je studenten zijn de kofferbak. En zoals een kofferbak nooit zal begrijpen waarom men spullen in hem wil stouwen die er blijkbaar niet in passen, zo zullen je leerlingen op deze manier niet veel leren over poëzie.

Alle kennis en vaardigheden die te maken hebben met het hoe van dichten, kunnen worden verworven door jaren van studie en oefening. Men kan dit gerust zelf doen – een docent is er niet bij nodig. Je moet het wiel toch zelf uitvinden. Alles wat samenhangt met het waarom zit verborgen in de zwarte doos: een wonderlijk zintuig voor poëzie dat voortdurend stilzwijgend alles opneemt wat het hoofd van de dichter binnenkomt. Af en toe begint die zwarte doos te piepen en de meest wonderlijke gegevens uit te ratelen in de vorm van over elkaar buitelende woorden, regels en zinnen. Noem het inspiratie, romantic agony, toeval of stom geluk, maar het is ook gewoon een kwestie van goed opletten. Een beetje dichter heeft dag en nacht een klein opschrijfboekje bij zich om dit soort spontane invallen op te schrijven. Op een geschikt moment probeert hij daar poëzie van te maken, waarbij hij evenzeer wordt gehinderd als geholpen door het verschijnsel dat al die woorden, regels en zinnen weer andere oproepen in een kettingreactie van taal. De hele onderneming is bij voorbaat nutteloos als het de dichter ontbreekt aan talent, discipline en vakkennis om zijn invallen uit te werken tot gedichten die staan als een huis. Dat huis mag elke denkbare vorm hebben, van een ruwhouten tuinschuurtje tot een majestueus vervallen kasteel – alles is goed, zolang het waarneembaar is dat er geen steen meer af of bij kan zonder dat het roemloos in elkaar stort.

Sinds kort ben ik docent poëzie op de schrijfopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten van Utrecht. Er is nog geen les geweest waarin ik dacht dat ik mijn studenten iets heb bijgebracht, terwijl ik ze ondanks mijn falen wel vooruit zie gaan. De laatste tijd begin ik te vermoeden dat de mentaliteit die nodig is voor het herkennen van poëzie – zowel tijdens het schrijven als het lezen ervan – valt te leren. Ik kom daar graag nog eens op terug als mijn studenten me hebben bijgebracht hoe.


<< november 2001 | februari/maart 2002 >>

Dossier 'Raptus'