'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, september 2001, blz. 215

Rond 1997 ontstond er een redelijk serieus literair debat rondom de vraag of rap en poëzie geen verwante kunstvormen waren, of, nog sterker, of rap eigenlijk niet gewoon een nieuwe poëzie was. “Rappers hebben de poëzie door mond-op-mondbeademing op het nippertje gered. De poëzie zal van binnenuit worden geëlektrificeerd en nooit meer dezelfde zijn”, aldus Gerrit Komrij. Misschien is die overspannen belofte tot op heden niet waargemaakt, maar het succes van de nederhop geeft de dichter in ieder geval stof tot nadenken. Rap versus poëzie is podium versus papier, redundantie versus essentie, betrokkenheid versus onthechting, massa versus elite, lowbrow versus highbrow – dichters en rappers zijn bijna op alle fronten water en vuur. Toch zijn ze met elkaar verbonden door dat ene, alle verschillen slechtende bindmiddel: de taal. En als het gaat om plezier en vrijheid in de omgang met die taal, geven rappers dichters makkelijk het nakijken.

Dichters gedragen zich zelden als rappers, al kunnen pogingen daartoe leiden tot aardige resultaten. Zo kreeg de 81-jarige Louis Lehmann in 1997 de bezoekers van de 'Nacht van de poëzie' op de banken met een korte, dadaïstische rap waarvoor hij zelf een krakerige 'human beatbox' op een memorecorder had ingesproken. En Maarten Doorman schreef anno 2000 een hilarisch 'Oudbakken rapvers'. De laatste regels gaan als volgt:

Ik kan steeds meer zinnen
die niets beweren
gebruiken als pillen om een
feestje te versjteren
ik jaag dames en heren in een
vloek uit de kleren
om met woorden te maskeren
hoe de liefde je verteren
kan      ik kan     ik kan veel

Het is een strofe waar een rapper zich, ritmisch en rijmtechnisch gesproken, beslist niet voor zou hoeven te schamen. Maar het is veel te gekunsteld en meerduidig om rap te kunnen zijn. Dichters veranderen niet zo snel in overtuigende rappers.

Rappers, daarentegen, zijn in hun beste momenten wel degelijk dichters. Ze doen iets waar zelfs de meeste experimentele dichters alleen maar van kunnen dromen: ze vinden de taal ter plekke uit. Nederhop ligt lichtjaren voor op het woordenboek. De keer dat ik een kwartiertje backstage in de kleedkamer van de jonge rapper Brainpower zat, staat me nog helder voor de geest: de voertaal was volkomen begrijpelijk Nederlands, maar met een soort vreemde 'twist' van jargon erin. Termen als dope, wack, flex en jinx vlogen me om de oren. Juist de essentie van de 'lyrics' leek zich te verstoppen in termen waarvan ik als niet-ingewijde alleen maar kon vermoeden wat ze ongeveer betekenen. Het fascineerde me meer dan alle hermetische poëzie bij elkaar. Je zou kunnen zeggen dat een rapper zijn eigen taal gedeeltelijk onvertaalbaar maakt, zodat ze zijn persoonlijk bezit wordt. Een rapper bedoelt met elk woord 'ik', maar omgekeerd bedoelt hij elke keer als hij 'ik' zegt, eigenlijk: 'taal'. Voor een rapper is zijn taal zijn identiteit. Voor de werkelijke betekenis van de sleutelwoorden uit zijn vocabulaire moet je niet in Van Dale zijn, maar in zijn biografie. In plaats van te modderen met woorden die net niet betekenen wat hij bedoelt, verzint hij termen die precies aangeven wat hem beweegt of juist afstoot. Als de vondst geslaagd is, wordt die door andere rappers overgenomen met het gemak van een sample. Extince rapt in het nummer 'Thema van New Amsterdam': “We mix it up and bring it back to one slang / al die platen van de DJ klinken net als één stem.” Het lijkt niets minder dan een oproep tot eenwording van taal door het mooiste van alle mogelijke talen met elkaar te verenigen. Onze beste nederhop is Esperanto van de straat.


<< juli/augustus 2001 | oktober 2001 >>

Dossier 'Raptus'