'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, mei 2001, blz. 123

Geestvervoering – oftewel 'raptus' – door poëzie is een periodieke aandoening. Er zijn dagen dat je hevig aangedaan kunt raken door willekeurig welk goed gedicht (met een slecht gedicht gaat het ook, maar dat is een ander soort vervoering). Op andere dagen heeft zelfs poëzie van de bovenste plank geen enkele zeggingskracht. Achterberg staat als een zwijgend borstbeeld in de kast, Nijhoff is naar een tuinfeest toe, Slauerhoff is uitgevaren naar de verste ster en Rutger Kopland is ergens jonge sla aan het rooien. Niets van wat ze hebben geschreven komt je mooi, waar of invoelbaar voor. Je dichtbundels zijn een verzameling voorbedrukte dummy's geworden en het is maar afwachten wanneer de poëzie weer thuis geeft.

Met het schrijven van gedichten gaat het niet anders. Dagen dat je je een groot dichter waant, wisselen zich af met dagen dat het lijstje voor de supermarkt al een hele opgaaf is. Uiteraard is het juist in zo'n vruchteloze bui van levensbelang om iets op papier te krijgen – is het geen heel gedicht, dan toch tenminste iets wat voor een redelijke aanzet door kan gaan. En natuurlijk lukt dat niet. Een gedicht springt niet te voorschijn wanneer het de dichter behaagt om over zijn lamp te wrijven. En wat erger is, je kunt niemand uitleggen wat daar nu zo vreselijk aan is. Je hebt altijd om het hardst geroepen dat poëzie goddank volkomen nutteloos is. Uit de ontreddering die je overvalt op dagen dat het lezen en schrijven ervan even niet lukt, wordt pijnlijk duidelijk dat het omgekeerd werkt: alles is nutteloos, behalve poëzie. In plaats van blij te zijn dat er eindelijk eens geen woord poëzie uit komt, ijsbeer je door de kamer, op zoek naar woorden als een vampier op zoek naar bloed – maar de spiegel blijft leeg. Er zit niets anders op dan in vredesnaam maar een beetje te gaan léven.

Het zou interessant zijn om eens aan oudere dichters te vragen hoe lang ze over hun beste werk hebben gedaan. Voor de paar werkelijk goede gedichten die iedere dichter in zijn leven mag schrijven, geldt waarschijnlijk opvallend vaak dat ze er in een paar minuten stonden, zonder dat dat iets van doen had met mysterieuze inspiratie of de goddelijke vonk. Een goed gedicht maakt geen dramatische opkomst, maar staat onopgemerkt in de coulissen als een ernstig kind, tot het moment dat de dichter het opmerkt. Soms vind ik bij het opruimen de eerste opzet voor een gedicht terug – een nauwelijks leesbaar, beduimeld vel papier waar elke letter met de geestdrift van een uitroepteken haastig is opgekalkt. Bij gedichten die ik zelf als geslaagd beschouw, valt me altijd op hoe weinig er eigenlijk aan die eerste versie hoefde te worden veranderd. Het was meer een kwestie van tien keer kijken of het wel echt zo onvoorstelbaar eenvoudig was dat er meteen stond wat er stond.

Een dichter dwaalt door een donker huis. Af en toe voelt hij op de tast een raam, dat meestal dichtgetimmerd zit. Dichten is zoiets als morrelen aan dat raam. Als het opeens opengaat, mag hij heel even denken met de snelheid van het licht.


<< april 2001 | juni 2001 >>

Dossier 'Raptus'