'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, april 2003, blz. 77

Dit is de laatste aflevering van deze rubriek. De eerste verscheen in april 2001 en die begon met een citaat van de dichteres Hagar Peeters: “Dansen is ontstaan uit heel mooi lopen, zingen uit heel mooi praten. Poëzie is een manier om heel mooi te kunnen denken, en de verbazing en verwondering over de ondoorgrondelijkheid van het bestaan zo zuiver mogelijk uit te drukken.” Daar zou iets in kunnen zitten. Iemand met een dichterlijke geest probeert te bedenken hoe hij de dingen zo mooi mogelijk kan zeggen, maar een echte dichter gaat nog veel verder: hij wil niet meer bezig zijn iets zo mooi mogelijk te bedenken, hij wil erachter komen wát hij eigenlijk aan het denken is. Misschien wil hij uiteindelijk alleen maar weten wat denken en taal nu toch eigenlijk zíjn. De enige manier om daarachter te komen is om te spreken (schrijven is natuurlijk ook een soort van spreken). Betekenis is daarbij maar een van de vele manieren om van het ene woord naar het volgende te komen. Klank, ritme en rijm kunnen allemaal net zo verwonderlijk zijn, en allemaal weer leiden tot nieuwe talige hink-stap-sprongen die samen een gedicht opleveren. De regie is niet in handen van de werkelijkheid waarnaar de taal verwijst, maar van de taal zelf.

Dat doet denken aan de manier waarop een kind met taal omgaat als het bezig is die te leren. Kleine kinderen zijn ook evenzeer geïnteresseerd in de taal zelf als in de betekenis ervan. Een kind is voortdurend bezig met het proeven van taal, een dichter ook. Niet voor niets schreef Lucebert: “poëzie is kinderspel”. Wie Lucebert moeilijk vindt, heeft niets begrepen van poëzie. Lucebert behoort niet tot mijn grote favorieten, maar moeilijk is hij niet; hij daagt je uit om te lezen als een kind, en je beeld van de mogelijke betekenis van wat je leest te construeren zoals een kind er door te luisteren en te praten langzaamaan achter komt wat het eigenlijk zegt.

In 1968 verscheen een gelijknamige bloemlezing uit het werk van Lucebert: Poëzie is kinderspel. Het lot speelde mij er een eerste druk van in handen. (Ik was daar zeer mee in mijn nopjes, totdat ik ondekte dat de bloemlezing in een eerste oplage van 10.000 “eksemplaren” was verschenen. We hebben het over een tijd dat eerste drukken allerminst kinderachtige oplages hadden.) De inleiding van deze bloemlezing is helemaal in de vibe van de tijd: “er is veel over poëzie geteoretiseerd”, opent het spellinghervormend. “Poëzie werd een gebied voor specialisten: de plotselinge invloed in de plechtige nekharen. (...) Kinderen worden niet meer ingewijd in de raadselen van dit 'vak', zoals vroeger, toen ze opstonden en gingen slapen met poëzie.” Er volgt een onnavolgbaar, knetterstoned betoog waarin woorden als “trip”, “kwalifisering”, “kritisi” en “rasisties” niet worden geschuwd. De teloorgang van het onderwijs ontrolt zich voor je ogen. In die tijd zaten de grootste kinderen niet in de klas; ze stonden ervoor, met hun haar tot op hun knieën. Maar gelijk hadden ze natuurlijk wel. Het laatste woord is aan Lucebert:

u rest slechts een troost ligt gij op sterven
gij verveelt u dan ook niet
en plotseling kan dan pop en bal
laat herinnerd u laten weten
dit was ik en dat was het heelal


<< februari/maart 2003

Dossier 'Raptus'