'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, februari/maart 2002, blz. 73

Het is alweer een hele tijd geleden dat ik mij, samen met collega en hartsvriendin Vrouwkje Tuinman, door vele kleverige stapels scenario's en knipsels heen mocht werken om een boekje open te kunnen doen over het taalgebruik van Wim T. Schippers. Ik droom er nog weleens van. Wij begonnen aan de klus als redelijk onbevangen, meestal vriendelijke en normaal aanspreekbare mensen. Naarmate de tijd vorderde, roerden wij echter steeds meer pas opgepikte citaten door onze conversatie. Dat we om de haverklap 'reeds', 'als het ware' en 'het woord zegt het al' riepen, werd ons door onze omgeving nog wel vergeven; het werd zelfs mondjesmaat overgenomen.

Toen we moeiteloos hele dialogen uit oude televisiestukken begonnen na te spelen, werd het contact met de buitenwereld al iets moeilijker (ik: “Is dat nou je tekst of meen je dat nou?” Vrouwkje: “Het staat in mijn tekst én ik meen het”). Op het hoogtepunt van onze gekte was het onmogelijk om een zinnig gesprek met ons te voeren. Al na drie zinnen merkte Vrouwkje op dat er zo'n verdomd leuke lamp in de kamer hing, waarna ik omstandig begon uit te leggen dat ik zo'n voordeur meteen weer zo'n voordeur vond, zo'n voordeur.

Wij hebben enkele goede vrienden verloren in deze periode. Gelukkig heb ik een geheugen als een zeef, zodat er al een paar maanden na verschijning van het boekje bijna niets meer aan mij te merken viel. Er is maar één ding dat ik onmogelijk uit mijn hoofd heb kunnen krijgen: de typisch Wim T. Schippers-achtige eigenschap om stil te staan bij alledaagse uitdrukkingen, die steeds merkwaardiger worden naarmate je er langer over gaat zitten delibereren.

Veel van dit soort uitdrukkingen zijn terug te vinden in wervend bedoelde reclame-uitingen, die door oubolligheid of knarsend taalgebruik precies het omgekeerde uitstralen van wat de bedenker voor ogen moet hebben gestaan. Alleen al de naam van een winkel kan in dit opzicht boekdelen spreken. Arie de Knaller en De Prijzenbeuker zijn bijvoorbeeld serieus bedoelde namen voor kleine supermarkten. In de Gouden Gids staat zelfs een “vakmanspecialist” in bedrijfskleding. Als je er eenmaal op gespitst bent, zijn er in dit genre veel duistere uitdrukkingen: “Altijd binnen zonder afspraak” heeft iets hoerigs. “Klaar terwijl u wacht” roept altijd weer de vraag op waarop er dan nog zou moeten worden gewacht. De slogan “Kwaliteit, en dat proef je” is natuurlijk helemaal onzin: als iets géén kwaliteit heeft, proef je dat veel sneller. Al deze bedenkelijke motto's vallen echter in het niet bij de mededeling die je nog weleens bij kleine middenstanders op de etalageruit ziet staan: “Al vijfentwintig jaar een begrip”.

Al vijfentwintig jaar een begrip. Dat is nu werkelijk een slogan die vooral vragen oproept. Bijvoorbeeld: Is het moeilijk om al zo veel jaar een begrip te zijn? Wordt men in één keer een begrip of gaat dat geleidelijk aan? En in dat laatste geval: Wanneer begon het 'begrip worden'? Was deze winkel al vanaf het begin een begrip, of hebben ze eerst twintig jaar rommel verkocht? Dat zou trouwens ook een manier zijn om razendsnel een begrip te worden. Strekt het eigenlijk wel tot aanbeveling om een begrip te zijn? En, de allerbelangrijkste vraag: waarom zet je dat eigenlijk op de winkelruit? Als je beweert dat je winkel een begrip is, weet iedereen dat immers al. Soms stap ik weleens naar binnen om deze vragen aan het aanwezige winkelpersoneel te stellen. Meestal stuit ik dan op veel onbegrip.

Critici die om het hardst roepen dat poëzie moet verwarren en ontregelen, hoeven slechts hun boeken dicht te slaan en naar een plaatselijke middenstander te fietsen. 'Al vijfentwintig jaar een begrip' is een hermetisch gedicht, waarin het raadsel van het leven zelf in slechts vijf woorden is verankerd.


<< december 2001 | april 2002 >>

Dossier 'Raptus'