'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, april 2002, blz. 105

Poëzie is, statistisch gezien, bijzonder vervelend. Ik weet waar ik het over heb, want de afgelopen maanden heb ik de openbare én de universitaire bibliotheek in Utrecht doorgewerkt op zoek naar gedichten over drugs en verslaving. Samen met mijn collega Vrouwkje Tuinman ben ik namelijk bezig met de middelste bloemlezing uit onze trilogie over seks, drugs en rock-'n-roll. Met zo'n negenduizend Nederlandstalige gedichten van de laatste eeuw vers achter de kiezen kan ik u verzekeren dat negentig procent van de poëzie, althans van de poëzie die om wat voor reden dan ook is opgenomen in de collectie van voornoemde bibliotheken, buitengewoon vervelend is. De ellende concentreert zich niet zozeer in een bepaalde periode als wel in sommige, niet nader te noemen oeuvres en stromingen. Mijn hemel, wat is er een hoop rommel aan de drukpers toevertrouwd onder de tedere vlag van de poëzie.

Het leuke aan systematisch gedichten lezen is dat alles wat je voor mooi en waar hield, onder je ogen instort als een kaartenhuis. Gelauwerde grootheden vallen van hun voetstuk, verguisde namen blijken veel beter dan verwacht en obscure bundels bevatten de schitterendste gedichten. Op den duur kom je tot de conclusie dat je onmogelijk nog kunt spreken van je favoriete dichters – er zijn alleen maar favoriete gedichten. Eén briljant gedicht kan het doorploegen van een verzameld werk vol middelmatigheid goedmaken. Ooit vroeg J.C. Bloem zich af: “Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan?” Het antwoord is: ja.

Al lezend en lezend begin je je onwillekeurig af te vragen of de kwaliteit van een gedicht nu enkel een kwestie van smaak is. Naarmate je meer leest, merk je dat dit niet het geval is. Een goed gedicht herken je eigenlijk altijd, ook als je het totaal niet mooi vindt. Ik durf te beweren dat mijn medesamensteller en ik het over een bloemlezing met de beste gedichten vrij snel eens zouden zijn. Over een bloemlezing met de mooiste gedichten zouden we elkaar tot in lengte van dagen de hersens inslaan met de verzamelde gedichten van H.H. ter Balkt (daar houden we allebei niet van).

Een van de helderste indicaties voor een kwalitatief goed gedicht is de geringe concentratie van 'foute woorden'. Een bindende definitie van zulke woorden is niet te geven, maar de geroutineerde poëzieconsument herkent ze onmiddellijk. Foute woorden hebben niet alleen een verwoestend effect op een gedicht, maar ook op het humeur van de lezer. Ze zijn te vaag, te weids, te hol of gewoon versleten door overmatig gebruik. Ze zorgen ervoor dat het gedicht overhelt naar overdreven tragiek, of juist als een willekeurige kubieke meter stank in het luchtledige blijft hangen. Natuurlijk kunnen zelfs de meest foute woorden in de juiste omgeving toch bijdragen aan een goed gedicht. En uiteraard is er poëzie die zulke foute woorden zo manifest gebruikt dat het gedicht juist door die verbale ellende met een scheve grijns onder zijn eigen overgewicht vandaan weet te kruipen. Laat ik dit stukje afsluiten met een eerste, tamelijk willekeurige maar uiterst foute lijst van 25 woorden. [Deze lijst is later aangevuld met hulp van Onze Taal-lezers, zie de oktoberaflevering.]

Afstand Onzichtbaar
Ademen Oppervlak
Conclusie Rusteloos
Contouren Sneeuw
Dansend Stilte
Individu Vergetelheid
Inhoud Verlangen
Interbellum Verscheuren
Leegte Verstenen
Nimmer Verwijderen
Onrust Wanhoop
Ontstaan Werkelijkheid
Ontwaken  

<< februari/maart 2002 | mei 2002 >>

Dossier 'Raptus'