'Raptus' | Ingmar Heytze | Onze Taal, april 2001, blz. 93

De dichteres Hagar Peeters verklaart in de Volkskrant van 20 januari jl.: “Dansen is ontstaan uit heel mooi lopen, zingen uit heel mooi praten. Poëzie is een manier om heel mooi te kunnen denken, en de verbazing en verwondering over de ondoorgrondelijkheid van het bestaan zo zuiver mogelijk uit te drukken.” Twee dagen later staat in dezelfde krant een artikel waarin, althans over zingen, precies het omgekeerde wordt beweerd: volgens wetenschappers is zingen een evolutionair voorstadium van spreken. Daar is niet alleen anatomisch bewijs voor te vinden in de vorm van ons strottenhoofd, het ligt ook nogal voor de hand. Toen de mens nog niet bestond, waren er immers al dieren die konden zingen. Het is niet erg logisch om te veronderstellen dat onze relatief jonge diersoort eerst de vogelgeluiden om zich heen negeerde, toen de niet geringe moeite nam om te leren praten om daarna eens een keer bij zingen uit te komen. Mogelijk geldt dat wel voor zingen als artistieke uiting of esthetische belevenis (en dat is wat Hagar Peeters waarschijnlijk bedoelde), maar niet voor het zingen dat aan de wieg van onze verbale communicatie moet hebben gestaan.

Als zingen inderdaad de voorouder van praten is, dan moet poëzie wel de oermoeder van proza zijn. En zoals de mens het dier over de hele wereld heeft verdrongen, zo heeft proza de poëzie verbannen naar een verre uithoek van de literatuur. Poëzie wordt beschouwd als mooi, zeldzaam en kwetsbaar – een bedreigde literatuursoort. De dichter leeft in de gedoogzone, als een bedelaar, van subsidies en dankzij een handvol welwillende uitgevers. Voor hem is poëzie een ziekte die je – om met de dichter Menno Wigman te spreken – “met een handvol hopeloze idioten deelt”. Dat dichters de laatste jaren met redelijk succes worden teruggefokt, doet weinig af aan hun fragiele status. Die is het directe gevolg van de ontoereikendheid van de taal om er de (binnen)wereld mee uit te drukken, en van de wens van dichters om dat desondanks te proberen. Als we diep in het hart van een dichter kijken, huist daar misschien wel de ultieme wens om het verschil tussen taal en wereld volledig op te heffen. Maar een woord is geen daad en in taal valt niet te wonen. Of, om nogmaals met Wigman te spreken: “de kamer blijft een kamer, het bed een bed”.

Dichters laten zich hierdoor niet ontmoedigen. In plaats van te stoppen met dichten om nu eindelijk eens iets nuttigs te gaan doen, zoals het verven van een kamer of het timmeren van een bed, proberen ze de onhebbelijkheden van de taal op te heffen door deze te benoemen. Hagar Peeters schreef recentelijk een recensie van de taal in dichtvorm. De eerste strofe spreekt boekdelen:

De taal, niets zo vrijpostig, niets
   zo ruim
en onstuimig, onbedwingbaar,
   onbeheersbaar,
vingervlug, onbestemd talrijk en
   onmogelijk alomvattend.
Een vrijplaats voor de geest, een
   klankbord voor het lichaam,
bode van wat is, niet is, nog
   komen moet of was.

En de laatste ook:

En zo narcistisch als zij is,
   wanneer zij,
zoals nu ook weer, zichzelf
   bepraat:
zij pleegt te allen tijde hoog-
   verraad.


<< overzichtspagina | mei 2001 >>

Dossier 'Raptus'