Peter Burger

Engelse woorden in onze taal: voor de een zijn het handige hebbedingetjes, zoals een horloge dat ook het weer voorspelt, voor de ander een soort bisamratten die op het punt staan een fatale dijkdoorbraak te veroorzaken in het Nederlandse taallandschap. En voor een derde zijn het gewoon woorden die even veel waard zijn als alle andere, zoals voor een bioloog het ene vlindertje niet meer waard is dan het andere kevertje.

Meestal is die derde een taalkundige.

Maken taalkundigen zich dan nooit druk over Engelse woorden? Natuurlijk wel, al weten ze beter dan anderen dat een Deltaplan voor de taal overdreven is. Mij stoort het bijvoorbeeld niet dat mijn dochter tot voor kort een baby was en in een box zat. Maar wel dat haar plastic speeltuig met toetertjes en belletjes een activity center heet. Ook erger ik me aan mensen die hun kinderen kids noemen. Niet omdat dat Engels is, maar om de afgesleten leukigheid van dat woord. Die zit hem niet in de Engelse herkomst: kroost en koters zijn zo lang geleden geleend uit het Frans en het Jiddisch dat ze door en door Nederlands lijken, maar daarbij hoor ik hetzelfde ingeblikte gelach.

Waarom is het ene Engelse woord ergerlijker dan het andere? Verblijfsduur heeft daar veel mee te maken: hoe langer een leenwoord meegaat, hoe minder aanstoot het geeft. Boxen kennen we minstens een halve eeuw, baby's al sinds pakweg 1900. Je moet wel een hele starre purist zijn om alle baby's en boxen in te willen ruilen voor zuigelingen en loophekken. Activity center is jonger: het lijkt me een vinding van de laatste tien jaar. Bovendien is het langer - nog een factor die de irritatie verhoogt.

Nog hoger wordt de gal opgestuwd door Engelse woorden waar een gangbaar Nederlands alternatief voor bestaat: wie feasibility study gebruikt in plaats van haalbaarheidsonderzoek, wil liever imponeren dan begrepen worden. Nu we bestanden kunnen opslaan, hoeven we geen files meer te saven en een password is inmiddels gewoon een wachtwoord. Maar komt zo'n vertaling er niet, dan wordt de behoefte eraan ook met het jaar minder. Pin-up is geïmporteerd in 1961. Wie zo'n woord nu nog wil vervangen door het Afrikaanse prikkelpop, of - zoals de jonge stichting Natuurlijk Nederlands voorstelt - door punaizepoes, kan net als de dorpsgek wel op publiek rekenen, maar niet op aanhang.

Waar zo'n stichting meer aan zou hebben, is een lijst van de Ergerlijkste Engelse leenwoorden, om die eens stevig aan te pakken. Als stap in de goede richting hebben wij van het Taal&Teken-instituut de volgende formule opgesteld. De ergerwaarde van Engelse leenwoorden is gelijk aan hun lengte (in letters) gedeeld door hun verblijfsduur (in jaren); wanneer er een gangbaar Nederlands alternatief voorhanden is, wordt de lengte met tien vermenigvuldigd. Stress telt bijvoorbeeld zes letters en dateert van 1950, toen een Canadese arts een boek publiceerde met die titel. Bij ontstentenis van een Nederlands woord levert dat een ergerwaarde op van 0,12. Interview, in de betekenis van sollicitatiegesprek, is negen letters lang en naar schatting 20 jaar oud. Omdat er een volkomen geaccepteerd Nederlands woord voor bestaat, scoort het 4,5 ergerpunten. Complete slagzinnen van nog geen jaar oud (The new Almera. Designed to improve your performance), krijgen al snel tientallen punten.

Natuurlijk kan de formule nog verfijnd worden, maar T&T (laten we wel wezen: één deeltijdwerker op een zolderkamer) heeft nog meer te doen. Misschien kan Natuurlijk Nederlands aankloppen bij de Nederlandse Taalunie, die sinds het regelen van de spelling even niets spraakmakends omhanden heeft?

Uit: 'Taal & Teken', de taalcolumn van Peter Burger in het Algemeen Dagblad, 17 oktober 2000.