persoonlijk voornaamwoord
- Aangekomen viel het me op
- Wij betreuren dat / wij betreuren het dat ...
- Gij hadt / gij had
- Groter dan jou / jij
- Voor haar / hen die bleven
- Hem / em / ’m smeren
- Dat heb ik hen / hun horen zeggen
- Hun hebben / zij hebben
- Hun / hen
- Ie / -ie / ‘ie
- Iemand als ik / mij
- Ik die is / ik die ben
- Ik en wij door elkaar gebruiken
- Je / jij
- Jou / jouw
- Ik mankeer niets / mij mankeert niets
- Met zijn / ons allen
- Ik pas / mij past die broek niet meer
- Persoonlijk voornaamwoord
- U / u
- Uw / u beider aanwezigheid
- U hebt zich / u vergist
- Verwijswoorden: haar, zijn, hem, het, zij, hij
- Wij / we
- Ze / hen / hun
- Zelf: ikzelf / ik zelf
- Zij / hen die afstuderen, nodig ik uit






