Print deze pagina

Tussen-n: algemene regels

Wat zijn de regels voor het gebruik van de tussen-n in bijvoorbeeld boekenbon/boekebon?

De officiële spelling schrijft boekenbon met een tussen-n voor. Het Witte Boekje (2011) laat de tussen-n vrij: naast boekenbon is ook boekebon mogelijk. 

Groene Boekje (officiële spelling)

Anders dan voor de tussenklanken in vervoer(s)bewijsland(en)naam en werktuig(e)lijk, waarin de tussenklank ook in het Groene Boekje vrij wordt gelaten, bestaan er in de officiële spelling bindende regels voor het wel of niet schrijven van de tussen-n. Deze regels vindt u in de Leidraad van het Groene Boekje. Wie bij de overheid en in het onderwijs werkt, moet deze regels volgen.

Witte Boekje (witte spelling)

In het Witte Boekje (2011), onze eigen uitgave, is het wel of niet schrijven van de tussen-n een vrije kwestie: er gelden geen vaste voorschriften voor. De taalgebruiker kan wat ons betreft bij álle tussenklanken gerust afgaan op zijn eigen taalgevoel.

Het Witte Boekje laat de tussen-n dus vrij, maar geeft wel een aantal handvatten om de keuze voor een schrijfwijze met of zonder tussen-n gemakkelijker te maken. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is: schrijf het woord zoals het op de lezer het natuurlijkst overkomt. De onderstaande punten kunnen hierbij helpen; het zijn dus geen vaste goed-foutregels.

Meestal wel een tussen-n als:

  • het geheel een vrij letterlijke, concrete betekenis heeft: boekenbon ('bon om een of meer boeken mee te kopen'), hondenhok ('hok voor een of meer honden'), kattenbak ('bak waar een of meer katten gebruik van maken'), schapenwolken ('wolken die op schapen lijken'); krokodillentranen ('tranen die krokodillen zouden huilen');
  • meteen de gedachte ontstaat aan meer 'exemplaren' van het eerste deel: kaartenbak, messenrek, secondenlang, tweefasenpil, zondenlijst;
  • het eerste deel een persoon aanduidt: artsenpost, bediendenverblijf, beloftenelftal, mensenhand, weduwenpensioen, ziekenwagen.

Meestal geen tussen-n als:

  • het eerste deel een abstract woord of een verzamelbegrip is dat geen meervoud heeft (of waarvan het meervoud ongebruikelijk is), zoals benzine, hel, rijst of tarwe: benzinepomp, hellevuur, rijstepap, tarwebrood;
  • het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is, maar bijvoorbeeld een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoordstam of een woordgroep met een naamvals-e: hogeschool, ingebrekestelling, jokkebrok, knarsetanden, lachebek, platteland, spinnewiel;
  • een deel van de samenstelling of de samenstelling als geheel niet meer in zijn oorspronkelijke letterlijke betekenis herkenbaar is of gebruikt wordt: apekool, bakkebaard, bolleboos, hanepoten ('onbeholpen handschrift'), ruggespraak, schattebout, zielepiet;
  • meteen de gedachte ontstaat aan één 'exemplaar' van het eerste woord: kerkeraad, ruggegraat, zieleheil;
  • het woord eindigt op -lijk, -achtig, -lings of -ling: amfetamineachtig, beurtelings, ellendeling, gunsteling, landelijk, ruggelings, sekteachtig;
  • het woord eindigt op -loos: achteloos, hopeloos, vormeloos, vreugdeloos;
    • als bij een woord op -loos meteen de gedachte ontstaat aan meer 'exemplaren' van het eerste deel, is -en- beter: ideeënloos;
    • -en- schrijven kan het geheel soms iets letterlijker maken: grenzeloos optimistisch ('oneindig'), grenzenloos ('zonder grenzen'), vruchteloos proberen ('zonder resultaat'), vruchtenloos ('zonder vruchten'), een wolkeloze hemel ('onbewolkt'), wolkenloos ('zonder wolken').

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
banner Boeken

Download de app

Maak een woordsudoku