Helaas zit er inmiddels een dikke laag stof op dit gedeelte van mijn brein, vandaar dat ik mijn vraag hier posteer.
Het gaat om de zin: oude tradities worden nieuw leven ingeblazen.
Er ontstond een discussie over het onderwerp en daarmee ook over het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp. Aangezien deze zin in de lijdende vorm staat is er geen sprake van een lijdend voorwerp; het lijdend voorwerp van een zin in de bedrijvende vorm wordt immers in een overeenkomstige zin in de lijdende vorm het onderwerp van de zin.
De een zei: “Moet het niet oude tradities wordt nieuw leven ingeblazen zijn, want leven is enkelvoud en het is het onderwerp”. Waarop de ander zei: “Het onderwerp is oude tradities, niet nieuw leven.”
Ik had me nog niet in de discussie gemengd, maar ik vroeg me wel af wie gelijk had. Beide gingen de standaard regels af voor het nagaan van het onderwerp. Wie of wat + gezegde = onderwerp. “Wat wordt ingeblazen? Nieuw leven!”, zei de een. De ander reageerde met:“Wat wordt(nieuw leven) ingeblazen? Oude tradities!”. De een veronderstelde dat nieuw leven het onderwerp was en oude tradities het meewerkend voorwerp: het nieuwe leven wordt immers aan de oude tradities ingeblazen. Zowel de een, als de ander bleef voet bij stuk houden waardoor de discussie doodbloedde.
Ik ben er zelf nog steeds niet over uit. Als ik de zin in bedrijvende vorm zet, zoals hij heeft oude tradities nieuw leven ingeblazen, zou ik zeggen hij heeft (aan) oude tradities nieuw leven ingeblazen. Oftewel, nieuw leven is het lijdend voorwerp, oude tradities is het meewerkend voorwerp. Echter als ik de zin in de lijdende vorm laat staan, blijf ik het idee houden dat oude tradities het onderwerp is en dat nieuw leven een bijwoordelijke bepaling van middel is(waarmee worden oude tradities ingeblazen? Nieuw leven). Ik weet dat bij zinsontleding een bijwoordelijke bepaling pas komt na een meewerkend voorwerp, maar toch stuurt mijn gevoel me deze kant op. Mijn gevoel kan het natuurlijk mis hebben. Weet iemand op dit forum het juiste antwoord?:)
